Heb je het over een ‘echte puber’, dan is dat al snel negatief bedoeld. Voor haar proefschrift onderzocht Sibel Altikulaç hoe pubers – en volwassenen – oordelen over het puberbrein en wat dat betekent voor hun motivatie op school.
Hanneke de Klerck is wetenschapsredacteur van de Volkskrant.
Pubers. Sibel Altikulaç gebruikt het woord liever niet, ook al wijdde ze een heel proefschrift aan pubers – en dan meer specifiek aan de vele factoren die invloed hebben op hun motivatie voor school. Tieners, zegt zij liever. En dat is niet voor niets. Pubers klinkt naar moeilijkheden. ‘Heel vaak wordt gezegd: heeft hij dát gedaan? O, het is een echte puber’, zegt ze. ‘Tieners klinkt vriendelijker, neutraler.’
Illustratief in het proefschrift, waarop ze deze maand promoveerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, is het deelonderzoek dat ze deed naar welke associaties het woord puberbrein oproept. ‘We hebben zowel aan tieners als aan volwassenen die met ze te maken hebben – ouders, docenten – gevraagd: wat zijn nou de eerste drie woorden die in je opkomen als je het woord puberbrein hoort? En we hebben ook de tieners gevraagd wat ze denken dat de volwassenen zouden antwoorden en de volwassenen wat de tieners zouden zeggen.’
In het proefschrift staan de resultaten in een tabel samengevat. ‘Onafhankelijk’, ‘lief’, ‘verantwoordelijk’, ‘creatief’ – er zijn wel jongeren of ouders die dat soort dingen over adolescenten zeggen. Maar heel veel vaker vallen termen als: ‘irritant’, ‘chagrijnig’, ‘lui’, ‘bot’.
‘De volwassenen hebben vaker negatieve associaties dan de jongeren. Maar ook de tieners noemen vaker negatieve dan positieve associaties. En jongeren en volwassenen verwachten van elkaar dat ze meer negatieve dan positieve termen zullen noemen.’
Je zou er voor minder de brui aan geven. Het laat zien dat tieners leven in een wat vijandige wereld, waar het normaal is dat ze als groep worden weggezet als lastig of ongemotiveerd. Terwijl het best begrijpelijk is dat school geen topprioriteit voor ze is op het moment dat ze in de brugklas komen.
‘De meeste jongeren komen van een basisschool waar ze acht jaar in dezelfde klas hebben gezeten met steeds één docent voor het hele jaar. Dan gaan ze naar een situatie dat ze hun klasgenoten eigenlijk niet kennen, nieuwe vrienden moeten maken, bij elk lesuur naar een ander lokaal moeten met weer een andere docent. En ze ervaren al die hormonale veranderingen, de ontwikkeling van hun lichaam. Er komen veel factoren samen in die periode en ik laat in mijn proefschrift zien dat die allemaal een klein beetje invloed hebben op de motivatie.’
Als je steeds maar hoort dat je lui of chagrijnig bent, heb je vast minder zin om je best te doen?
‘Dat hadden we verwacht, maar het lag genuanceerder.’
Om te meten of tieners door negatieve of positieve oordelen worden beïnvloed, kregen ze stellingen te lezen. Negatieve (zoals ‘omdat hun brein nog in ontwikkeling is, hebben veel adolescenten moeite met hun activiteiten plannen’) of positieve (‘adolescenten kunnen goed plannen en flexibel denken omdat hun brein nog in ontwikkeling is’).
‘We hadden verwacht dat tieners die alleen de negatieve uitspraken hadden gekregen, meer risicogedrag zouden laten zien op het taakje dat we ze daarna gaven.’ Dat was het virtueel opblazen van een ballon door met de muis te klikken. Hoe groter de ballon, hoe meer punten de tieners konden verdienen. Maar klapte de ballon, dan vervielen alle punten. Zo kun je meten hoeveel risico iemand bereid is te nemen.
‘Wat we zagen, was dat niet alle tieners die de negatieve stellingen hadden gekregen daardoor werden beïnvloed. De jongeren die het meeste risicogedrag vertoonden, waren jongeren die het al met die stellingen eens waren.
‘De leerlingen die het eens waren met de positieve stellingen, vonden het gemakkelijker een oplossing te bedenken als we ze vroegen hoe ze zouden reageren op tegenslag op school, zoals een slecht cijfer halen als je een goed cijfer verwacht. Meer moeite doen voor wiskunde, bijvoorbeeld.’
De invloed van de manier waarop leerlingen over zichzelf denken, valt ook op in een ander deelonderzoek, dat naar mindsets.
‘Een mindset is in dit geval de overtuiging die leerlingen hebben over hoe slim ze zijn. Je hebt leerlingen met een vaste mindset, die geloven niet echt dat ze daar iets aan kunnen veranderen. En leerlingen met een groeimindset, die denken dat ze daar wel iets aan kunnen doen, als ze maar blijven oefenen.
‘Het is niet zo zwart-wit natuurlijk, het is een continuüm. We zien daar wel verschillen tussen jongens en meisjes. Jongens hebben wat vaker het gevoel dat ze niet kunnen veranderen. En jongens met een vaste mindset tonen minder inzet dan jongens met een groeimindset. Voor meisjes geldt dat niet. Behalve als ze een fout maken, dan tonen ze daarna minder inzet.’
Dan zijn ze ontmoedigd?
‘Ja, precies. Tenminste, dat vullen jij en ik nu in, dat dat de reden is. Maar daar lijkt het wel op ja.’
Is er verschil tussen schooltypen?
‘We zagen een vaste mindset wat vaker bij leerlingen van het vmbo dan bij havo en atheneum. Maar onze vmbo-groep was relatief klein vergeleken bij de andere twee groepen, dus we zouden meer onderzoek moeten doen om te zien of dat inderdaad vaker zo is.’
Kunnen cijfers leerlingen motiveren?
‘Ja. Of later geld verdienen of een bepaalde sociale status krijgen. Maar dat zijn externe beloningen, beloningen die van buiten komen. Er zijn ook tieners die meer intrinsiek gemotiveerd zijn, die er zelf plezier in hebben als het op school goed gaat.
‘Externe beloningen, zoals goede cijfers halen, helpen vooral bij leerlingen met een vaste mindset. Dat is de kleinste groep. Binnen de groeimindset vonden we drie groepen: jongeren die de lesstof willen begrijpen, jongeren die daarnaast als doel hebben om goede cijfers te halen, en jongeren die het wat minder gaat om het begrijpen van de stof, maar die wel goede cijfers willen halen.
‘Het werkt als leerlingen streven naar cijfers die net wat hoger zijn. Maar als ze daar te veel op focussen, zagen we juist weer een negatief effect. Dus het lijkt erop dat ze de balans moeten vinden tussen hun interne motivatie, waardoor ze graag dingen willen leren, en het feit dat ze in een schoolcontext zitten, waarin het belangrijk is welke cijfers je haalt. Als ze denken: oké, ik moet echt goed presteren, dan worden de positieve effecten wat minder.’
Waren de jongeren gemotiveerd om mee te doen?
‘Ze vonden het wel leuk. Ze hebben zichzelf aangemeld, met toestemming van hun ouders. Wat ik ook wel terughoorde: dat ze het fijn vonden dat ze dat ene lesuur konden skippen omdat ze met ons iets mochten doen. De vragenlijsten vulden ze thuis in, die vonden ze soms wel een beetje lang.’
Ik kreeg de indruk dat de jongeren die je hebt bestudeerd best gemotiveerd zijn.
‘Die indruk heb ik zelf ook wel. Maar dat zou aan de onderzoeksgroep kunnen liggen. Het kan dat de leerlingen die meededen wat gemotiveerder zijn dan hun klasgenoten.’
Als leerlingen positiever over zichzelf denken, of denken dat ze kunnen groeien, doen ze het beter op school. Maar hoe help je jongeren met een negatief zelfbeeld, of die denken dat het vastligt hoe slim ze zijn?
‘Ik denk dat een belangrijke boodschap uit mijn onderzoek is dat de opvattingen die een leerling over zichzelf heeft een belangrijk aspect zijn van hoe die het doet op school. En daarbij hebben de maatschappelijke opvattingen die tieners van ons meekrijgen invloed. Ik denk dat wij als volwassenen een genuanceerder en completer beeld moeten overbrengen. Zodat zij ook een realistischer beeld van zichzelf krijgen.
‘Waarin er ook ruimte is voor de mogelijkheid dat negatief gedrag niet per se negatief is. Risicogedrag bijvoorbeeld kan ook heel erg helpen om iets te onderzoeken – hé, als ik het op deze manier probeer, ik heb geen idee wat daarvan de uitkomsten gaan zijn, wat zou er dan gebeuren? Misschien vinden ze uiteindelijk, doordat ze het gaan proberen, wel een betere strategie of leren ze er veel meer van dan wanneer ze voorzichtiger zijn.’
Luister hieronder naar onze wetenschapspodcast Ondertussen in de kosmos. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant