Home

Antjie Krog: ‘Het is vreselijk om te erkennen, maar er zit altijd iets onethisch in wat je schrijft’

Literatuur De veelvuldig gelauwerde Zuid-Afrikaanse schrijver Antjie Krog schreef een autobiografische roman over haar moeder. Het is meteen haar laatste werk: „Ik voel dat het zwakker wordt. Ik schrijf ook al sinds ik tien jaar was, ik ben moe.”  

Antjie Krog

‘Ik moet echt ophouden met schrijven, omdat ik merk dat naarmate ik ouder word, ik de grip op taal verlies. Ik vertrouw er niet meer op dat ik de juiste woorden zal vinden.” De Zuid-Afrikaanse schrijver Antjie Krog zucht even wanneer we elkaar daags voor het festival Crossing Border in Den Haag spreken over haar laatste boek, Binnenrijm van bloed. Ze is vooral opgelucht over haar besluit, maar haar man ziet wel op tegen wat er nu komt, vertelt ze, hij vreest dat ze zich op hem gaat storten.

Binnenrijm van bloed is een autobiografische roman over de relatie met haar moeder, Susanna Jacoba Serfontein (1925-2016), die ook verhalen schreef. Behalve het sterven van haar moeder komen herinneringen naar boven uit haar jeugd die ze doorbracht op een boerderij in de Kaapse provincie Vrystaat, en wordt ook het verhaal verteld van de trauma’s die de witte Afrikaner Boeren opliepen in hun strijd om het land tegen de Britten tijdens de Anglo-Boerenoorlogen (1880-1902) rond de vorige eeuwwisseling. Tijdens de Tweede Anglo-Boerenoorlog (1899-1902) belandden Afrikaner vrouwen en kinderen in concentratiekampen.

Moeder en dochter stonden totaal verschillend in het leven, vooral op politiek vlak als het gaat om de positie van de Afrikaners en hun gevoelens van superioriteit in Zuid-Afrika, maar ook in hun schrijversrol. Typerend is een zin in een van de vele brieven die ze elkaar schreven. Krogs moeder schrijft: „Ook al vind je dat je eigen mensen het bij het verkeerde eind hebben, je laat ze niet in de steek en schrijft met de inkt van genade.” Elders schrijft ze: „De nostalgie van onze generatie is gedrenkt in wrok.”

Met de ‘inkt van genade’ heeft de inmiddels 73-jarige Krog nooit geschreven. Ze debuteerde op haar zeventiende met de bundel Dogter van Jefta. Daarna volgden vele bundels, toneelstukken en vertalingen. Haar werk geeft de gelaagdheid van de Zuid-Afrikaanse samenleving weer met een overweldigende eerlijkheid. Het werk gaat over ongelijkheid, moederschap, en het lichaam. Ze schreef schitterende non-fictieboeken, onder meer over de Zuid-Afrikaanse Waarheids- en Verzoeningscommissie, die in 1995 werd opgericht, waarbij de daders van het apartheidsregime in ruil voor amnestie de waarheid vertelden over hun misdaden. Ook haar eigen (journalistieke) visie op en opvoeding tijdens de apartheid komen aan bod, of ze neemt haar rol onder de loep zoals in het somber stemmende Relaas van een moord.

Hoe kan iemand stoppen met schrijven als een bundeling van haar werk de titel Om te kan asemhaal heeft? Schrijven is dermate belangrijk dat het gelijkstaat aan ademhalen, sprak daaruit.

„Ja, dat is waar, maar ik voel dat het zwakker wordt. Ik schrijf al sinds ik tien jaar was, ik ben moe. Bij alles wat ik zie, denk ik altijd: hoe leg ik dit vast, hoe beschrijf ik dit? Ik wil dat niet meer denken als ik ergens naar kijk. Ik liep hier in het Haagse bos en zag hoe het herfst werd. Eerst dacht ik: hoe schrijf ik hierover, maar toen ook: laat het gaan, laat het los. Je hoeft niet meer alles vast te leggen in taal, je mag gewoon kijken.”

Wanneer kreeg je dat gevoel voor het eerst?

„Tijdens het schrijven aan dit boek. Ik hikte tegen zinnen aan, welke woorden ik moest gebruiken en of ze wel logisch op elkaar volgden.”

Kan het zijn dat het kwam omdat voor je gevoel je moeder over je schouder meekeek?

„Ja, dat ook natuurlijk. De hele vraag: mag dit wel? Dat is een vraag waar je sowieso mee bezig bent: mag ik hierover schrijven? Ik dacht eerst: ik ga dit boek niet maken, het gaat over mijn moeder, weer een witte vrouw, en er is al genoeg geschreven over de Anglo-Boerenoorlog. Allemaal witte geschiedenis, en over het verval van het platteland en het wegvallen van structuren, dat is ook al zo vaak gedaan. De vorm leverde ook problemen op. Ik had eerst de stukjes geschreven over mijn moeder als ze ouder wordt, veel onderzoek gedaan naar de Anglo-Boerenoorlog en ik had een lang stuk geschreven over het ‘verbeelden van de ander’. Ik vroeg me af: hoe breng ik dit allemaal bij elkaar? De impact van een moeder op wat je schrijft is zo enorm.”

Jij had een moeder die nota bene zelf schreef, dus dan wellicht al helemaal?

„Toen mijn moeder overleden was, zei ik tegen de verpleegkundigen dat ik hun dagverslagen wilde hebben. Ik had er wel eens in gekeken en het was enorm saai, maar ik wist ook: dichter bij haar in die fase kom ik niet.”

Ben je anders naar je moeder gaan kijken?

„Dat denk ik wel. Ik kon me losmaken van de Afrikaner die zij was. Als schrijver was dat al wel zo: ze was gestopt met het lezen van mijn boeken, want ze raakte erdoor van slag. Dat is een wijs besluit geweest, want ze vond de verhouding met haar kind belangrijker dan wat dat kind schreef.”

Maar wat je schrijft is ook deel van wie je bent, een deel van je identiteit wilde ze dus niet leren kennen.

„Ja, dat is waar, dat wilde ze niet, maar het is goed, echt.”

Wat vonden je broers en zusjes van het boek?

„Ik was bang voor hun reactie, vooral van mijn broers. Die zeiden na verschijning helemaal niets. Mijn zusje reageerde wel, die zei: ‘Ik heb andere herinneringen aan haar.’ Dus ik zei: ‘Ik voel me er slecht over en wil weten of ik met dit boek ma voor een deel heb weggehaald bij jullie.’ Toen ik dat vroeg, keek mijn broer me aan en zei: ‘Ma? Wie denk je wel dat je bent, dat je denkt dat je haar van ons kan afnemen?’ Hij vond het zo’n onwaarschijnlijk arrogante opmerking. Hij vond het geen manier, zoals ik me opstelde.”

Je hebt het in het boek erover dat je je op een gegeven moment een vreemde voelde in Zuid-Afrika. Is dat nog steeds zo?

„Dat is een ingewikkelde vraag, maar nee. Ik voel me op mijn plek, het is niet gemakkelijk, maar ik hoor er.”

Hoe kijk jij aan tegen Donald Trump die het heeft over ‘genocide op witte Zuid-Afrikanen’?

„Dat geeft perfect weer hoe de rol van het slachtofferschap is veranderd. Mijn moeder had duidelijke ideeën over hoe je je moest verhouden tot slachtofferschap. De ziel van ons Afrikaners is gevormd in de Anglo-Boerenoorlog, in het Commando, stelde ze. Daarmee waren ze de meest geduchte tegenstanders van de Britten in de Anglo-Boerenoorlog. Een ‘echte’ Afrikaner identificeerde zich juist niet met de slachtoffers. De Afrikaners die nu vertrekken doen dat wel. Ze zien zichzelf als slachtoffer van discriminatie, hun kinderen krijgen minder kansen, er is geweld. En dat slachtofferschap wordt versterkt door Trump.”

Je moeder hamerde erop dat Afrikaners helden vereren in plaats van slachtoffers. Verklaart dat de harde houding naar de buitenstaander, de daden tijdens de apartheid? En is die houding uniek, of zie je die ook terug in bijvoorbeeld Israël nu?

„Ik vind het ontstellend dat het tachtig jaar na de Holocaust nog zo kan ontploffen in Israël, dat een trauma nog omgezet kan worden in deze reactie. Na de Anglo-Boerenoorlog heeft de Afrikaner het slachtofferschap omgezet in het idee dat alleen de Afrikaners ertoe deden: dit is ons land, ik heb ervoor ‘betaald’. En ze voerden wetten in voor apartheid. Ik vind de parallellen heftig.”

De oudtestamentische wraak?

„Ja, zeker. Of hoewel, het is meer oudtestamentische eigengerechtigheid. Zo van: ik kan iets verkeerd doen, maar God staat aan mijn kant. De God van de wraak, van oog-om-oog.”

En straks? Hoe gaat het nu met de traumaverwerking in Zuid-Afrika?

„Het trauma is denk ik reusachtig. De enorme criminaliteit, die gepaard gaat met de armoede en de woede: dat is een uiting van dat trauma. Na Nelson Mandela was de hoop dat er iets beters zou komen, maar dat was niet zo. Voor wie arm was, werd het zelfs erger. En dan komt dat trauma van het verleden sterker naar boven. Je ziet het overal. Corruptie komt voort uit het gevoel minderwaardig te zijn, uit onzekerheid, drie eeuwen is er verteld: je kan niets, je bent niets en je hebt niks.”

In je werk heb je jezelf zelden gespaard, en in dit boek schrijf je dat je moe wordt van jezelf. Is het niet een idee een beetje aardig over jezelf te zijn als je toch over jezelf schrijft?

„Zodra je over jezelf schrijft dan ben je die ‘ik’ niet meer, dan wordt dat een figuur. Op mijn achttiende schreef ik een gedicht waarin ik vroeg verder te kijken dan mijn ‘raarheid’, dus voorbij de puistjes op mijn gezicht, de nylon trui die ik aanhad. Maar ik had helemaal geen puistjes en mijn vader was een boer, dus ik zou nooit een nylon trui hebben gedragen. Mijn moeder breide truien voor ons van wol, maar het gaat om de essentie van wat je wil vertellen, dat je de integriteit van het verhaal vasthoudt.

„Het is vreselijk om te erkennen dat er iets gemeens, of onethisch, zit in wat je schrijft. In mijn boek Een andere tongval komt een stuk voor over een vriendin van mij, ze woont op het platteland en ze heeft een grote waakhond. Die hond bijt op een dag een zwarte man die voorbijkomt en ze weet: onze hond kan die man doodbijten. Dus ze springt boven op die man, en ze overleven het beiden. Het is een heel verhaal, dat ik gebruikte in dat boek. Ik veranderde alle namen, de plek waar het gebeurde, alles wat herleidbaar was, maar het verhaal bleef. Voordat ik het manuscript opstuurde, dacht ik: moet ik haar vragen of ik dit mag gebruiken? Terwijl ik het nummer intoetste, dacht ik: als ze nee zegt, dan laat ik het toch staan. Het opgeven van het witte lijf, dat was essentieel in dit boek. Ik heb haar niet gebeld. Ze heeft drie jaar niet met me gepraat.

„Ik schaamde me als ik haar zag, maar vroeg me ook af: waarom koos ik hiervoor? Iemand zei me laatst: het gaat jou niet om jouw integriteit of die van de ander, maar om die van de tekst. En daar zit iets erg lelijks aan, dat je denkt: fokof met z’n allen, ik moet dit schrijven. Maar dat is lelijk, hè?”

Maar als het allemaal mooi zou zijn, zouden het geen goede boeken zijn geweest.

„Ja, als het gaat om de relatie tussen waarheid en kunst moet je bereid zijn risico’s te nemen. Ik kan veilige boeken schrijven, mijn eerste boeken herhalen, maar elk boek voelt alsof ik van een waterval naar beneden spring. Ik moet niet weten wat eronder is, zo groot moet het risico zijn. Ik voel me altijd slecht, ik slaap niet, ik schaam me, en toch doe je dat om te schrijven.”

Heb je je moeder kunnen loslaten?

„Ja.”

De laatste zin in je boek luidt: ‘Maar de adem zegt: Laat me los!’ Daar ben je terug bij ‘Om te kan asemhaal’. Is dat bewust?

„Goh, inderdaad! Nee, dat is niet bewust. Maar dan is toch alles rond?”

CV

Antjie Krog (1952) werd geboren op een boerderij in Vrystaat. Ze studeerde Afrikaans en debuteerde in 1970 met de bundel Dogter van Jefta. Na haar tweede bundel, januari-suite, kreeg ze in 1973 de Eugène Maraisprys voor de meest veelbelovende jonge schrijver, in 1976 ook de Nederlands/Vlaamse prijs en de Reina Prinsen-Geerligs-prijs voor de meest veelbelovende jonge schrijver.

Vele prijzen volgden, waaronder nog een keer de Hertzogprys, De Alan Paton Award, de Pringle Award voor uitmuntende journalistiek voor haar verslaggeving over de Waarheidscommissie. In 2000 werd haar een prijs toegekend door de Hiroshima Foundation for Peace and Culture, als erkenning voor de impact van haar werk op het bevorderen van vrede door middel van kunst. In 2018 was zij de eerste niet-Nederlander die de Gouden Ganzenveer kreeg, een prijs voor iemand die van grote betekenis is voor het geschreven woord. Haar laatste dichtbundel, Plunder, verscheen in 2022.

Antjie Krog

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next