Home

Als koffie met havermelk bestellen al een statement is, dan is Arabisch leren een dáád

Toen haar column stopte ging Eva Hoeke op zoek naar een andere bezigheid. Het werd een studie Arabisch, omdat het Midden-Oosten haar interesseert; de cultuur, de geschiedenis, de muziek, de keuken. Maar ja, zo eenvoudig bleek dat niet. ‘Wáárom doe ik dit?’

Water ruist door de verwarmingsbuizen, de geur van koffie vult de kamer. Ingespannen kijk ik naar het filmpje op mijn laptop. Er zit een vrouw op een kleed voor de open haard. Een voor een pakt ze foto’s op die kriskras door elkaar voor haar liggen. Er staat familie op van haar vader, van haar abb, zover ben ik al. Dat kan ook niet anders, want dat heb ik net geleerd in mijn Syrian Colloquial Arabic, die opengeslagen naast me ligt. Daarin ging het over familiebenamingen:

abb = vader
emm = moeder
akh = broer
ekht = zus

En dan nog een hele riedel, want het Arabisch is even poëtisch als precies en iedereen krijgt een eigen titel al naar gelang je plek in de stamboom. Je bent niet gewoon tante, zoals in de Nederlandse taal, al dan niet met de toevoeging dat je van de kouwe kant bent, nee, je bent óf de zus van je moeder, óf de zus van je vader, en daar komen twee verschillende woorden bij kijken. Hetzelfde geldt voor je schoonzus, zwager, neef of nicht. De een is de ander immers niet, en de kouwe kant bestaat niet. Het Arabisch is royaal, ook dat wist ik al.

Het hele rijtje was er opvallend soepel ingegaan: wie op de havo kan stampen, kan dat dertig jaar later kennelijk nog.

Maar waarom begrijp ik nu dan werkelijk geen snars van wat de vrouw op het filmpje zegt? Voor de zekerheid kijk ik nog eens naar de opdracht: ja, het is toch echt het goeie filmpje. Ik spoel terug. En nóg eens. Buig een beetje naar het scherm toe, alsof het dááraan ligt, maar na tien keer kijken kan ik er nog steeds geen chocola van maken. Daarna gaat het zoals het elke week gaat.

Stoel naar achter schuiven, opstaan, chagrijnig.

Hardop mopperen: ik kan dit niet, laat maar zitten, rottaal.

Nieuwe koffie pakken (ahwe, die weet ik dan weer wel), tijdje uit het raam staren.

Terugkeren naar mijn bureau.

Opnieuw proberen, terwijl ik me zuchtend afvraag: wáárom doe ik dit?

Bovenstaand proces is in het kort waar ik elke week doorheen ga sinds ik op Arabische les zit. Het is een oefening in geduld en doorzettingsvermogen, het duurt en het duurt en de stappen zijn klein, ondertussen voel ik me elke week een sukkel. Hoor me hakkelen tijdens conversatie, zie me struikelen op die 3ayn, die ingewikkelde keelklank die in het Nederlands niet eens bestaat, en waar dus ook geen leesteken voor is op het toetsenbord, vandaar dat 3’tje, het zogenaamde WhatsApp-schrift.

Het Arabisch is nu eenmaal een wezenlijk andere taal dan het Nederlands, je moet echt een berg over, en die berg komt beslist niet naar jou toe, dat zag Mohammed destijds goed.

De vraag is waarom ik het dan tóch doe, het is niet dat ik verder niks te doen heb.

Er is een praktisch antwoord. Toen mijn column stopte in de Volkskrant en ik me bezon op een nieuwe richting, wist ik al dat het zwaartepunt niet langer bij de journalistiek zou liggen. Een studie psychologie, waar ik als eerste op af ging, viel al snel af: voor iemand die al eerder een studie afrondde (in mijn geval de School voor Journalistiek in Utrecht), kost een nieuw studie 14.300 euro, per jáár, en dan moet je er nog drie. Door de numerus fixus zou ik bovendien pas in september 2026 kunnen beginnen. De lat moest dus lager. Ik googelde, om de hoek zat een taalschool, een week later had ik mijn eerste proefles Arabisch. Leren is leren, en klein beginnen is ook beginnen.

Warme belangstelling

En waarom dan Arabisch? Omdat het Midden-Oosten me boeit, zo simpel is het. De een komt thuis in Italië, de ander is francofiel en weer een ander denkt dat-ie ten diepste Iers is. Ik heb het met het Midden-Oosten. Niets dweperigs overigens, ook niets pathetisch, wel warme belangstelling: voor de cultuur, voor de geschiedenis, voor de muziek, voor de keuken, voor de klanken, voor de geuren, voor de dictaturen en de prille democratieën, voor de triomfen, voor het lelijke en het mooie, voor de korte klap en de lange lijn, ik wil het allemaal zien en ik wil er allemaal naar toe en ik wil ze ook allemaal verstaan.

Dat laatste kan niet, of je moet de tijd hebben. De overkoepelende taal van de Arabische wereld is het Modern Standaard Arabisch (MSA), maar die taal wordt alleen geschreven en gelezen en is bovendien de taal van de politiek, journalistiek en literatuur. Thuis aan de keukentafel spreekt men het eigen dialect en dat is ook de taal waarin de meeste televisieseries en liedjes worden gesproken. Daarbinnen heeft elke regio, streek, stad of dorp dan ook weer zijn eigen dialect.

In hoofdlijnen valt het Arabisch uiteen in zes dialectgroepen: Maghrebijns (Marokko, Algerije, Tunesië, Libië, Mauritanië), Egyptisch (Egypte), Soedanees/Tsjadisch (Soedan, Tsjaad), Levantijns (Syrië, Libanon, Jordanië, Palestina), Mesopotamisch (Irak en het Arabisch Schiereiland).

Het begint op links, bij Marokko, en eindigt op rechts, in Saoedi-Arabië, want daarna komt Iran en daar spreken ze geen Arabisch, maar Farsi. Het Arabisch op links verschilt hemelsbreed van het Arabisch op rechts. Een Marokkaan kan een Palestijn niet verstaan, universele woorden als shukran (dank je wel) en salaam (vrede) daargelaten. Een Palestijn een Libanees verstaan elkaar wel, maar die twee verhouden zich als een West-Fries tot een Limburger. Ze komen er wel uit, maar dan moet de een niet moe en de ander niet dronken zijn, laat staan allebei. Al het andere Arabisch is te vergelijken met Nederlands versus Duits, of zelfs Nederlands en Scandinavisch: ze verstaan wel iets, maar het belangrijkste niet.

Van al die dialecten leer ik het Levantijns-Arabisch. Syrisch, om precies te zijn. Toen ik ging googelen kwam ik namelijk uit bij de Taalschool van Arabar van Arwen Salama-Van der Burg, en zij doceert Syrisch. Arwen is in Nederland geboren en getogen, studeerde aan het Conservatorium, werd altviolist bij Het Balletorkest, ging daarna ook nog Arabische Taal & Cultuur aan de UvA studeren, zwaaide cum laude af, trouwde ondertussen met een Syriër en geeft sindsdien Syrische les aan geïnteresseerden van allerlei allooi, van professionals tot hobbyisten en alles ertussenin. Arwen is dus geen native speaker, in taaltermen aangeduid als niveau C1, maar zit er wel heel dichtbij: ze verstaat en spreekt veel, behalve als het over kwantummechanica of loodgieten gaat – maar, zegt ze, dat zou ze in het Nederlands ook niet begrijpen.

Elke week ontmoet ik haar in een kleine antikraakkamer/-broedplaats/-atelier in Amsterdam-Oost, waar zij me streng maar rechtvaardig (‘Dát heb ik net al uitgelegd’) door de stof loodst. Ze heeft daarbij een soort afstandelijkheid die ik als prettig ervaar, en ook domweg nodig is, want hóé komt het dat je je huiswerk op je 46ste nog net zo aanvliegt als op je 16de, namelijk half bokkend, de boel uitstellend tot het laatste moment? Was Arwen niet de wortel met precies de goeie dosis stok die ze is, dan was ik nu niet waar ik was.

Oké, en waar ben ik dan precies?

Nou, niet overdreven ver, dat geef ik onmiddellijk toe. Niet dat ik me daarvoor schaam: met één uur les per week, drie jonge kinderen, een drukke man, een enigszins sociaal leven en een volwassen hypotheek is het misschien ook wel helemaal niet mogelijk om na een half jaar verder te zijn dan op het niveau van absolute beginner.

Ik zit op Taalniveau 1. Dat betekent dat ik kan zeggen wie ik ben, waar ik vandaan kom, en wat mijn beroep is. Ik kan zeggen wie mijn vader is en wie mijn moeder, en dat ik drie dochters heb en niet getrouwd ben – die laatste combinatie bestaat in principe niet in Syrië, dus voor het geval ik ooit in Syrië ben weet ik ook hoe ik moet zeggen dat ik wél getrouwd ben.

‘Waar is de wereld?’

Ik kan koffie bestellen en ik kan iemand bedanken. Ik kan tot 999 tellen en een taxi bellen, vragen hoe laat het is. Ik kan zeggen of iets groot, klein, dik, duur, goedkoop of dichtbij is. Ik ken de dagen van de week, ik kan zeggen of iets in noord, zuid, west of oost is en ik kan mensen vragen hoe het met ze gaat, en voor die laatste ceremonie kan je in de Arabische wereld rustig een kwartier uittrekken. Dit lijkt heel wat, maar alles bij elkaar zijn het maar kleine gesprekjes, meer welwillend dan diepgaand bovendien, zelfs mijn dochter Frida van 4 is verder. Mij maakt het niet uit: het vervult me met een kinderachtig soort trots dat ik simpele teksten kan lezen, iets terug kan zeggen tegen mijn juf en flarden van filmpjes op het journaal en op Instagram kan verstaan. Daarvan zijn er veel, sinds 7 oktober 2023, en ook nu weer, nu we berichten krijgen uit Soedan. Ween el-3aalam! riep een huilende man terwijl hij naar de puinhopen om zich heen wees. Ween el-3aalam?! Waar is de wereld? Ik verstond het, ik had alleen geen antwoord.

Met dat ene uur in de week en die filmpjes moet ik het doen, want in het echt heb ik niemand om Syrisch mee te spreken.

Ik ken geen Syriërs. Ja, één vrouw in Wormer, die daar ook weleens met haar zoontje in de speeltuin zit, maar die is nu juist Nederlands aan het leren, dus die schakelt onmiddellijk over wanneer ik met mijn steenkolensyrisch aankom. Eén keer heb ik in de kroeg voorgedaan hoe ik bier zou bestellen in Libanon, maar toen was ik al dronken, anders had ik dat nooit gedurfd. Vooralsnog oefen ik dus alleen op mijn kinderen. Op mijn dochter Frida, bijvoorbeeld. Wanneer ik ’s ochtends in haar kamertje kom, wens ik haar een goedemorgen: sabaah el-kheer, letterlijk: ochtend van het goede. Dan antwoordt zij met een foutloos sabaah en-nuur, letterlijk ochtend van het licht, want ook dat is Arabisch, elkaar constant overtoepen met taal. Ik kan yallah roepen als ze op moeten schieten, wat eigenlijk altijd is, en als ze allemaal door elkaar heen lopen te tetteren, ook dat is bij ons heel normaal, kan ik er een ferm bass! uitgooien, wat ‘kappen nou’ betekent. Mijn middelste dochter Leah kan inmiddels tot tien tellen in het Arabisch, en gooit daar hoge ogen mee op het schoolplein.

Over die hoge ogen: die vind je overal, in goede en minder goede zin.

Grosso modo wordt er op drie manieren gereageerd als ik zeg dat ik Arabisch leer. De eerste groep reageert neutraal, leuk meid, en zouden dat ook hebben gezegd als ik op schaken was gegaan, of padellen. De tweede groep is te enthousiast, dat zijn vaak dezelfde mensen die de Turkse groenteboer willen aaien omdat zijn mango’s zo lekker zijn, en zijn Nederlands zo goed. En dan is er nog de groep die het maar niks vindt, en heimelijk denkt: o, dus jij staat aan díé kant.

Een kinderachtige reflex

Dat laatste is niet los te zien van de tijd waarin we leven, waarin het soms lijkt of alles politiek is, van de koffie die je drinkt tot de krant die je leest en de vakantie die je boekt. Ook ik ontkom daar niet aan. Een voorbeeld: ik drink geen melk, al sinds mijn 4de niet, en toch moet ik anno 2025 de neiging bedwingen om hardop te zeggen dat het me niet om de havermelk gaat wanneer ik een cappuccino bestel, maar dat ik melk gewoon niet lekker vind. Alsof de keuze voor havermelk me identificeert, of zelfs ontmaskert, als aansteller, of als yup, als stom mens. Dat is een kinderachtige reflex waar ik verder geen gehoor aan geef, maar hij ís er wel.

En als een havermelkcappuccino bestellen al een statement is, dan is Arabisch leren een daad. Dan is dat niet gewoon een nieuwe taal leren, maar overlopen, voor de ander zijn, en daarmee tegen het Westen, en als je die lijn doortrekt zal ik ook wel voor Groenlinks-PvdA zijn en tegen vlees. Met die beschuldiging valt nog wel te leven. Irritanter is het redeneren met zevenmijlslaarzen: wie Arabisch leert is zeker tegen Joden, en vóór Hamas.

Tegen die mensen zeg ik: doe maar rustig, lieverd. Ik leer Arabisch omdat ik het móói vind. Omdat het een taal is die door 380 miljoen mensen wordt gesproken. Omdat het onderdeel is van de wereld, en hoe die draait. Omdat ik De Boodschapper heb gelezen van Kader Abdollah, en Achter Mekka van Betsy Udink, en met open mond naar de documentaire A Dangerous Dynasty: House of Assad keek, zoek ’m vooral op. Omdat ik van Umm Kulthum hou, en van het pathos van aanzwellende violen. Omdat ik het fijn vind een uur per week nergens anders aan te denken dan aan suffixen, idaafa’s, taa marbuuta’s, wortelwoorden en zonne- en maanletters. Omdat het niet minder dan een ontdekking is om te zien dat ik het nog kán, me honderd procent concentreren in een fase waarin de was en het werk en de zwemles en alles en iedereen om me heen om voorrang schreeuwt. Ik doe het omdat het van mij is.

En dan is er ook nog een filosofisch antwoord. Want iets nieuws leren, op welk vlak dan ook, is een simpele maar effectieve reminder dat je meer níét weet dan wel. En dat alles wat je in je leven bij elkaar sprokkelt aan kennis en inzichten dus slechts dagkoersen zijn. En je perspectief en je moraal dus ook. Wat je weet, weet je nú, en morgen kan je ineens weer denken: verdomd, het zat toch een tikkie anders. Dat houdt een mens mooi op de grond. Je hebt natuurlijk geen Arabisch nodig om dat weer even scherp te hebben, dat kan ook prima door op karate te gaan, of beeldhouwen. Sommigen zullen waarheid vinden in het bakken van de perfecte pavlova. Maar het aardige van een nieuwe taal leren, is dat je daarmee niet alleen jezelf nadert, maar ook de ander. En dat is nooit weg, in een wereld die van conflicten aan elkaar hangt.

En, begreep ik dat stomme filmpje nou uiteindelijk?

Ja, want om het nog even praktisch te houden: je voelt je misschien elke week een sukkel, maar ook elke week een winnaar. Eens valt het kwartje. In dit geval op minuut 0.43: ja natuurlijk, die vrouw heeft het over haar oom! En dat die oom aan de universiteit van Damascus werkt! Aan de universiteit (jaam3a) of in de moskee (jaame3), daar wil ik vanaf wezen, maar wat ik zeker weet is dat het om haar oom gaat, haar 3amm, van vaders kant dus, en daar ging de oefening om. Vijf minuten later is mijn ahwe op, mijn huiswerk klaar en mijn zelfwaarde gestegen. Berg af, berg op, het leven in een notendop.

Meer magazine

Dit is een artikel uit Volkskrant Magazine. Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next