Eigenlijk… Eh, waarom eigenlijk? Dat is volgens Arjen van Veelen de paradox van ‘eigenlijk’: het gaat over het wezen der dingen, maar kan eigenlijk ook weg.
Animatie Martien ter Veen
Een blauwe maandag werkte ik als leraar Grieks en Latijn op een gymnasium. Ik studeerde nog, was meestal brak en blut. In de klas kon ik geen orde houden, in mijn eigen leven trouwens ook niet. Op een ochtend moest ik uit geldgebrek zwartrijden naar school. Verstopt op het toilet van de spitstrein bereidde ik de lessen voor, althans, ik zorgde dat ik een hoofdstukje voor liep op de leerlingen, biddend dat ze geen slimme vragen zouden stellen.
Het was een leerzame tijd. Ik leerde bijvoorbeeld dat het beruchte gevoel dat je ieder moment door de mand kunt vallen – die giftige, ondermijnende gedachte genaamd impostor syndrome – soms gewoon terecht is. Soms kun je iets niet goed.
Daar dacht ik aan toen ik laatst toch weer voor de klas ging staan. Ik zou een cursus essay schrijven geven aan een groep journalisten, drie middagen van ruim drie uur. Essays schrijven kan ik best, in ieder geval beter dan Latijn lezen; toch werd ik ’s nachts bezocht door milde paniek, want ergens over vertellen is iets anders dan iets doen.
‘Ik doe meestal maar wat’, hoor ik mezelf vaak zeggen over essays. En ja, dat ondefinieerbare, die freestyle: dat is precies de essentie van dit genre. Maar hoe vul je drie keer drie uur met ‘doe maar wat’?
Het fnuikende was dat ik prima betaald kreeg voor de cursus: dan ga je extra je best doen. Dus ik kocht The Encyclopedia of the Essay, een boek zo zwaar als drie melkpakken. Dat kon ik bij de eerste les mooi op mijn bureau laten ploffen, zoals je in een essay soms achteloos een woord dropt waardoor de lezer denkt: goh, die gast heeft gravitas.
Uiteraard deed ik ook onderzoek naar wat dat eigenlijk is: essays schrijven. Ik las er vier boeken over, geschreven door gerenommeerde, internationale essayisten. Die geen van allen precies wisten wat een essay was; toch kwamen ze met regeltjes. Verrek, zo moet het, dacht ik: schrijfregels bedenken. ‘Minder regels, meer vrijheid’ roept iedereen, maar stiekem snakken we allemaal naar protocollen, scripts en drills.
Ik moest ze drillen. En ik héb verdorie ook principes, bedacht ik. Ik pleng zelf per slot van rekening bloed en tranen voor zo’n tekst, ik doe helemaal niet ‘zomaar wat’. Precies daarom voelt het altijd als een kaakslag wanneer een nietsvermoedende lezer me complimenteert met ‘leuke column!’ ‘Een esséé, achterlijke idioot’, bijt ik ze dan binnensmonds toe, ‘esséé!’ – maar zelf weet ik dus niet wat dat dan eigenlijk is, zelfs niet hoe je het uitspreekt. Misschien is een essay inderdaad gewoon een column waar je moeilijk bij kijkt.
Of juist een moeilijke tekst waar je luchtig over doet? Het genre heet in elk geval zo omdat een Franse kasteelbewoner genaamd Montaigne zijn stukjes zo noemde: essais. Ofwel pogingen, probeersels, experimenten. Soms waren ze korter dan een column en soms zo dik als een novelle. Ze gingen over de dood van vrienden en over scheten laten en alles daartussenin. Ik denk niet dat Montaigne ‘maar wat deed’. Ik vermoed juist dat zijn label ‘probeersel’ bedoeld was om zichzelf moed in te praten. Joh, ik probeer maar wat, dit is gewoon een try-out, de grap mag doodvallen, niemand zal dit ooit lezen. Nonchalance veinzen verraadt faalangst en dus perfectionisme.
Dat ‘ik doe maar wat’ was eigenlijk gelul. Ik heb snoeiharde regels en ultraorthodoxe opvattingen. Bijvoorbeeld: dat elk essay minimaal één oorspronkelijke gedachte moet bevatten, één nieuwe verbinding moet aanleggen in de hersenen van de lezer (‘You put together two things that have not been put together before. And the world is changed’ – Julian Barnes, Levels of Life).
Dat saaiheid een halsmisdrijf is. Schrijven wat de lezer al vindt is vleien. De vijand van je lezer een veeg uit de pan geven is lucratief maar saai.
Dat er een gouden trio van fantastische eigenschappen bestaat: nieuwsgierigheid, moed, zelfspot. En nieuwsgierigheid is de hoogste van die drie.
Dat ik daarom pamfletten haat. Ze zijn onnieuwsgierig. Wie fascisme wil bestrijden leze de best lovende recensie van George Orwell over Mein Kampf.
Dat ik tegelijk het zogenaamde ‘zoekende schrijven’ zwaar wantrouw omdat het vaak een dekmantel is voor plechtig, nietszeggend slenteren en politiek correct flaneren. Zoeken doe je maar in je eigen tijd, verdwalen doe je in het bos: in een essay moet je iets vinden.
Uiteindelijk moet je iets vinden. Meander gerust als een rivier, maak zwierige bochten maar ga bruisend en donderend op je zee af.
Het klakkeloos gebruik van drie asterisken zij vervloekt. Drie asterisken gebruik je enkel en alleen zoals het hoort: bij een wisseling van decorstukken, van scène; niet om twee paragrafen te scheiden met een quasi-diepzinnige stilte.
Elk essay moet zo leesbaar zijn dat de lezer ook na achtduizend diepzinnige woorden nog denkt: ‘lekkere column!’ Die kaakslag is de kostprijs voor leesbaarheid, voor het mogen klooien aan de bedrading van andermans brein, die moet je nobel zonder klagen aanvaarden, alleen en in stilte.
Er is maar één test voor leesbaarheid: zelf je stuk hardop lezen. Je struikelt niet alleen bij moeilijke woorden maar vooral wat onheus of gekunsteld is krijg je niet uit je strot.
Dat er een gebiedsverbod geldt voor het woordje ‘dagdagelijks’ omdat het domweg dubbelop is. Je zegt ook niet ‘verjaarjaardag’ of ‘mormorgen kom ik, doeidoei’. Dat laatste eigenlijk wel, als vrolijke stuiterende nadruk, maar ‘dagelijks’ kun je niet benadrukken, dagelijks kan echt maximaal één maal per dag. Zeg gewoon: alledaags of dágelijks. Wees precies, er staan mensenlevens op het spel.
Er staan levens op het spel. Dat meen ik echt. Schrijven is niet aan de zijlijn staan, je opereert in mensen hun hersenen. Je schrijft een essay over het woordje ‘eigenlijk’ en de rest van het leven voelt de lezer bij dat woord iets kietelen, gaan elektrische circuitjes nét iets anders stromen en jaren later gooit iemand ogenschijnlijk uit het niets het roer om. Een gigantische verantwoordelijkheid.
Enfin. Voor de cursus verzamelde ik een lijst met uiteindelijk tweeëntwintig vuistregels. Met uiteraard de belangrijkste: om ze allemaal aan je laars te lappen. De cursus kwam. Ik zeulde mijn drie melkpakken aan gravitas mee en een stapeltje met uitgeprinte regels. Ik dropte namen. Orwell, Baldwin, Pruis. Ik drilde ze met schrijfoefeningen, een checklist en een eierwekker. Er waren goede ideeën. Er waren goede stiltes, zoals die van mensen die tijdens het typen even opkijken van hun scherm naar een denkbeeldige vlieg. Gelach. Tranen. Na afloop was er een evaluatieformulier. (Dat is een essay op zich: we nemen tegenwoordig geen tijd meer voor levensbeschouwing of poëzie, maar na ieder postpakket volgt al een evaluatieformulier.)
Enfin. Volgens mij ging het goed. Eind goed al goed dus? Paniek om niets?
Eigenlijk niet, merkte ik pas in de trein naar huis.
De uitdrukking esprit de l’escalier (‘trappenwijsheid’) komt uit een achttiende-eeuws boek van de Franse filosoof Denis Diderot over acteren: Paradoxe sur le comédien. Dat ‘paradox’ in de titel slaat op het feit dat een acteur die emoties wil toveren in het hoofd van zijn publiek, zelf juist niet emotioneel moet zijn. Acteren is een vak waar je je hoofd bij moet houden doch cool, calm and collected, aldus Diderot; emoties brengen je van je stuk. Dat standpunt illustreert Diderot met een anekdote: je bent in een salon aan het converseren, overmand door emoties sta je met je mond vol tanden, pas als je de trap afloopt schiet je te binnen wat je had moeten zeggen.
Die tovertrap moet je als essayist zoeken, had ik de cursisten voorgehouden. Je moet uitzoeken wat je eigenlijk wil zeggen. De essayist heeft een dubbelrol van verslaggever-filosoof: je noteert niet alleen wat er is gebeurd, maar ook waar het eigenlijk over gaat.
Je ‘eigenlijk’ vinden is negentig procent van het denkwerk, zei ik, maar er zijn technieken voor. Zoals: andere mensen bellen en vragen of je zonder onderbreking vijf minuten tegen ze aan mag praten. Jezelf moe maken. Fietsen. Douchen. De wekker zetten en dertig minuten schrijven wat in je opkomt. Dronken worden met ChatGPT. Alles weggooien wat je had. Terugdenken aan die avond dat je uren stond te koken, de gasten arriveerden al, de pan vloog in de fik, je haalde friet: je had een fantastische avond omdat alles was mislukt.
Ren weg. Ren desnoods een paar keer de trap op en af, om die esprit d’escalier af te dwingen. Interview jezelf. Waarom laat dit detail me niet los? Waarom duikt dit ene woordje eigenlijk steeds op in mijn aantekeningen?
Inderdaad: in de trein terug naar Rotterdam kwam de geest: de vraag of ik, ondanks alles wat ik had gezegd, wel gezegd had wat ik eigenlijk wilde zeggen. Ontdek jouw ‘eigenlijk’: wat een wrede opdracht was dat eigenlijk. Wat een mission impossible. Het is precies de zin waar ik mezelf tijdens het leven en schrijven steeds mee gesel: ‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen? Waar sláát het eigenlijk op?’
Bij elk boek heb ik weer de hoop dat ik mijn ‘eigenlijk’ ontdek voordat het naar de drukker moet. Dat ik dit keer wel bijtijds op die grand unifying theory stuit die alle chaotische data verklaart, dat een visioen me bezoekt. Dat ik eindelijk zal schrijven als iemand die zijn speech weg ziet waaien in de wind en dan maar uit het hoofd zegt wat-ie eigenlijk wil zeggen. Schrijven alsof je essenties in het oor van je geliefde schreeuwt op een kaap in een sneeuwstorm.
Héél soms heb ik het gevoel dat ik in de buurt van het eigenlijk ben. Altijd ben ik dan ver weg van het scherm. Je keert terug in de stikdonkere mijn waar je door hakt tot er weer iets glinstert.
Misschien had ik ze op een dwaalspoor gezet. ‘Vind jouw eigenlijk’ – ik had net zo goed kunnen zeggen: ‘tip: los even het levensraadsel op.’ Was dat eigenlijk niet gewoon een gratuit stopwoord dat een verborgen waarheid suggereerde – die er eigenlijk helemaal niet is?
Waarom was ik zélf eigenlijk zo geobsedeerd door dat woordje?
In veel taalgebieden is het woord ‘eigenlijk’ een gehaat stopwoordje. Begrijpelijk: het wordt vaak onheus gebruikt. ‘Eigenlijk heb ik geen tijd, maar ik wil best even naar je opzetje kijken (kennelijk heb je wel tijd, maar wil je de andere een guilt trip bezorgen).
‘The word actually offers nothing. Actually reinforces nothing. Actually clarifies nothing’, las ik op Needles Words, een blog over overbodige woorden.
En ja, je hebt het diepzinnige ‘eigenlijk’, waar je vanzelf Duits van gaat praten. ‘Eigentlich ist jeder Tag ein kleines Leben’, peinst Arthur Schopenhauer. Maar daar tegenover staat het eigenlijk van de betweter of de complotdenker. ‘Jij sukkelig schaap denkt dat het zo zit, maar ik ken de onderliggende waarheid: éigenlijk zit het zo.’
Op krantenredacties was het vroeger verboden om ‘ik’ te gebruiken. De krant, bevolkt door sigarenrokende mannen uit de bovenlaag die met hun benen op tafel artikelen dicteerden aan secretaresses, was immers volstrekt onpersoonlijk, neutraal, cool, calm, collected. Ook het woord ‘eigenlijk’ werd vaak geschrapt. Het zou niets betekenen, weg met dat stopwoordje.
En inderdaad: bij elk ‘eigenlijk’ kun je je afvragen: eh, waarom eigenlijk? Dat is de paradox van eigenlijk: het gaat over het wezen der dingen, maar kan ook weg.
Was ik daar soms bang voor? Diepgang die door de mand valt?
Ja. Natuurlijk. Altijd bang. De mijn is donker. Maar daarom hak je door naar de lichtjes.
De lichtjes van de heerlijk kitscherige kerstklassieker Love actually, een film over hoe het leven eigenlijk is, dus lelijk, pijnlijk, schitterend, kitscherig, vol liefde. ‘If you look for it, I’ve got a sneaky feeling love, actually … is all around’, zegt Hugh Grant in de openingsscène op een vliegveld. En daarna valt nog eens tweeëntwintig keer het woord eigenlijk. De film gaat namelijk over durven. Dingen durven zeggen die je eigenlijk wilde zeggen, dingen doen die je eigenlijk wilde doen.
Nu zijn de woorden ‘actually’ en ‘eigenlijk’ geen volmaakte synoniemen; maar voor beide geldt: mensen gebruiken ze om dingen te durven zeggen.
‘Eigenlijk’ heeft volgens taalwetenschappers een belangrijke functie. Het is net als ‘inderdaad’ of ‘whollah’ een zogeheten discoursemarkeerder. Dat zijn woordjes die niet iets betekenen, maar wel iets doen: ze duiden de rest. Het zijn de essayistjes.
Met ‘eigenlijk’ doe je aan verwachtingsmanagement, lees ik op een website van het Max Planck Instituut voor Psycholinguistiek. Je geeft een seintje dat er iets verrassends komt. Dat je bijvoorbeeld een sociaal taboe doorbreekt. Stel, je bent halverwege een gesprek, je bent de naam van de ander vergeten, dan zeg je ‘hoe heette je eigenlijk ook al weer?’ – en je komt minder bot over. Of iemand vraagt: ‘Je vind me toch niet te dik?’, en je begint je antwoord met ‘Nou, eigenlijk…’ dan weet de ander: er komt nu een ongewenst antwoord,en landt de waarheid beter. Eigenlijk is een schoenlepel: het versoepelt wat wringt.
En zo is ‘eigenlijk’ ook het supersubtiele oliemannetje dat de sprong faciliteert van droom naar daad: met ‘eigenlijk’ kun je voorzichtig tastend mogelijkheden verkennen: ‘Eigenlijk vind ik je wel leuk’.
Of juist aardbevingen zachtjes aankondigen: ‘Ik wil hier eigenlijk weg’.
Eigenlijk is hij een lul. Eigenlijk ben ik geen geschikte docent Latijn. Eigenlijk ben ik helemaal geen stadsmens. Eigenlijk wil ik meer Duitse literatuur lezen. ‘Eigenlijk ben ik heel anders’, aldus het beroemde citaat van de Hongaars-Duits schrijver Ödön von Horváth dat ChatGPT me net influisterde, ‘alleen kom ik daar zelden aan toe.’
Er zou een stemherkenningsapp moeten zijn die gaat piepen zodra je het woord ‘eigenlijk’ gebruikt: er is altijd iets fundamenteels aan de hand, een wringen tussen wens en werkelijkheid. Iets waar je eigenlijk iets moet doen.
Daarom verdient ‘eigenlijk’ juist een ode. Eigenlijk is nieuwsgierig. Eigenlijk verandert spotlights in kaarslicht en pamfletten in essays; eigenlijk is een nieuwsgierig kind, een dichter, je wingman, een durfal; bevrijdt gedachten uit de kooien van ons hoofd, eigenlijk is menselijk, al te menselijk, ingrijpbaar. Eigenlijk is zo’n woordje waar AI van gaat stotteren.
Ja, je kunt het altijd weglaten, niets stort meteen in – zoals je ongestraft literatuur, dans, de krant kunt schrappen – maar er begint al een licht in de treincoupé onheilspellend te flikkeren.
‘Vind jouw ‘eigenlijk’ voor het te laat is’ is daarom geen verkeerde les. Alleen is er maar één methode: je in het leven werpen. Iedereen weet dan precies wat-ie moet doen. Niet eigenlijk. Echt. Je mensenleven staat op het spel.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Het laatste nieuws en de beste stukken over de mooiste havenstad die er is
Source: NRC