Belang van instituties Economiestudenten leren niet goed hoe markten in de praktijk werken, vindt oud-directeur van het Centraal Planbureau Coen Teulings. Met collega-econoom Martijn Huysmans schreef hij een lesboek dat de rol van instituties centraal stelt. „De VOC maakte risicodeling mogelijk.”
Economen Martijn Huysmans (l) en Coen Teulings.
Econoom Martijn Huysmans valt even stil. „Nu ga ik toch datgene doen waarvan ik net zei dat het voor een econoom juist zo gevaarlijk is: de toekomst voorspellen”, zegt hij.
Tafelgenoot en collega-econoom aan de Universiteit Utrecht Coen Teulings zegt: „Maar het is wél ergens op gebaseerd.”
Huysmans: „Goed: op basis van ons boek is het onwaarschijnlijk dat het economisch lang goed gaat als je de democratie en de rechtsstaat ondergraaft. Dat geldt voor de Verenigde Staten onder president Donald Trump net zozeer als voor het China onder president Xi Jinping.”
Universitair hoofddocent Huysmans (36) en hoogleraar en oud-directeur van het Centraal Planbureau (CPB) Teulings (66) zijn al bijna een uur in gesprek met NRC over hun nieuwe boek voor bachelorstudenten economie, The Microeconomics of Market Failures and Institutions. Daarin koppelen zij de economische theorie over onder meer markten, monopolies en concurrentie aan de grote lijnen in de geschiedenis. Hun centrale these: zonder instituties zou de wereld niet zo welvarend zijn als zij nu is.
Bij ‘instituties’ moet je denken aan verworvenheden als de rechtsstaat en de democratie. En aan allerlei organisaties, functies en procedures die daaruit voortvloeien, zoals onafhankelijke rechters, eigendomsregisters en verzekeringscontracten. Zonder die ankerpunten verliezen burgers en bedrijven het vertrouwen om met elkaar zaken te doen. En kunnen markten dus niet functioneren.
Coen Teulings en Martijn Huysmans, The Microeconomics of Market Failures and Institutions. An Intermediate Textbook. Springer Nature, 2025. E-book € 17,99 Paperback €38,99
Dát, stellen de twee economen, moeten nieuwe generaties economen goed ingeprent krijgen. In het klassieke economieonderwijs krijgen studenten modelmatig uitgelegd hoe evenwicht tussen vraag en aanbod ontstaat, ze leren theorieën over consumptie en concurrentie. Te weinig gaat het over de vraag wat nodig is om de economie in de praktijk te laten werken, zeggen Huysmans en Teulings achter een kop koffie in het café van het Scheepvaartmuseum in Amsterdam.
Teulings: „Wat is het belang van een kadaster bijvoorbeeld? Dat lijkt futiel, maar het vormt de basis voor het eigendomsrecht op een huis of een gebouw. En nog veel belangrijker: door het kadaster kun je een huis als onderpand gebruiken. Een bank kan er een lening op verstrekken, zo kan een kapitaalmarkt ontstaan, en de kapitaalmarkt is een van de belangrijkste markten in een moderne economie.”
Hun boek verschijnt in een tijd van antidemocratische tendensen, waarin instituties hard worden aangevallen. Trump zet justitie in om zijn politieke tegenstanders aan te pakken, schuift wereldhandelsregels terzijde, valt de onafhankelijkheid van de centrale bank aan en maakt zelfs statistieken tot inzet van zijn politieke machtsstrijd. China kent onder Xi een autocratisch bewind dat weliswaar tot nu toe economisch zeer succesvol is gebleken, maar waar democratie non-existent is en waar vrijheid toenemend wordt onderdrukt. Het is aan Europa, zullen Huysmans en Teulings tegen het einde van het gesprek zeggen, om zijn instituties wél overeind te houden.
Teulings: „In de tijd dat ik bij het CPB zat, kreeg ik beleidsvragen waar eigenlijk nauwelijks pasklare antwoorden op te geven waren. Moest Schiphol geprivatiseerd worden? En: kunnen jullie de kosten van allerlei regelgeving voor de economie in kaart brengen? Dat bleken vragen te zijn waar je maar weinig mee kunt als je een reguliere economieopleiding hebt gevolgd. Daaruit groeide de gedachte: het is goed is om heel serieus na te gaan denken over instituties. Waarom zijn die zoals ze zijn, welke rol spelen ze?
„Een tweede aanleiding was het boek Guns, Germs and Steel [1998] van de Amerikaanse geograaf en evolutionair bioloog Jared Diamond, dat in essentie ook over instituties gaat. Hij schrijft onder meer over het ontstaan van het geweldsmonopolie van de staat, het ontstaan van een politiemacht die voor veiligheid zorgt. Dat is tamelijk wezenlijk als je handel wil drijven: komt de ander naar de markt om handel met je te drijven of om je te beroven?”
Om de ontwikkeling van instituties te schetsen, gaan Huysmans en Teulings te rade bij andere vakgebieden, zoals geschiedenis, evolutionaire biologie, geografie, psychologie, politicologie en rechtswetenschap.
Veel economen die hun vakgebied op deze manier verbreden, zegt Teulings, doen dat omdat ze hun eigen vak „eigenlijk niet meer zo leuk vinden”. „Wij vinden ons vak juist ontzettend leuk. De reden dat we breder kijken, is omdat we denken dat de economische discipline veel bij kan dragen aan de wetenschap als geheel én tegelijkertijd veel kan leren van andere disciplines.”
Huysmans, die als politiek econoom al onderzoek had gedaan naar instituties, bood zich aan als co-auteur van het leerboek van bijna 300 pagina’s. De illustraties daarin wijzen erop dat het geen standaard economieboek is. Tussen de lappen tekst, de wiskundige formules en oefeningen in zie je afbeeldingen over, onder meer, prehistorische agrarische gemeenschappen, oorlogsvoering in Mesopotamië, de bijbelse tien geboden en de Nederlandse VOC. Met zevenmijlslaarzen stappen de twee economen door de geschiedenis om grote institutionele doorbraken te beschrijven. Het geweldsmonopolie van overheden, het recht (inclusief eigendomsrechten), verzekeringen, de verzorgingsstaat, de democratie. Allemaal maakten ze, uiteindelijk, de markteconomie mogelijk.
Huysmans: „Veel economieboeken redeneren vanuit modellen, bijna fysica-achtig. Alsof de economie nu eenmaal zo werkt. En daar zit dan geen historische dimensie aan, het is een soort eeuwigdurende werkelijkheid. Maar onder die modellen zitten aannames, bijvoorbeeld over eigendomsrechten.”
Teulings: „Dit is terug te voeren op een van de belangrijkste in de economische wetenschap gebruikte theorieën: die van het gevangenendilemma. Twee boeven worden opgepakt en apart van elkaar verhoord. Als ze beiden zwijgen, krijgen ze allebei twee jaar cel, als de een de ander verlinkt, wordt degene die verlinkt vrijgesproken en krijgt degene die verraden wordt vijf jaar cel. Praten ze allebei, dan krijgt elk van hen vier jaar cel. Zwijgen leidt dus voor beiden tot de best mogelijke uitkomst. De kern is uiteindelijk de waarde die mensen hechten aan een belofte, in dit geval de belofte om te zwijgen.”
Vertaald naar de markt gaan die beloftes over, bijvoorbeeld, betalingen en leveringen van spullen of diensten. Teulings: „Vandaag beloof ik iets, maar houd ik me er morgen aan? Dat is onzeker, maar instituties kunnen mij eraan binden.” Bij gebrek aan vertrouwenwekkende instituties ontstaan „marktimperfecties” of „marktfalen”, staat in het leerboek.
Je ziet dat het scherpst op het niveau van de politiek, legt Teulings uit. „De politiek heeft grote moeite om zichzelf aan beloftes te binden die zijn vastgelegd in wetten. Als wetgevende macht kan zij de wet immers altijd weer wijzigen. [De Romeinse keizer] Nero zei het al: de wet is voor koeien, ik ben de keizer, voor mij geldt die niet. Daarmee ontstaat het idee van de onbetrouwbare overheid.”
Huysmans: „Dit noem je de interventieparadox. Je wil als overheid iets veranderen, maar tegelijk neemt het vertrouwen in die overheid af als die zichzelf niet bindt aan bestaande afspraken. Als een overheid als onbetrouwbaar wordt gezien, gaan bedrijven minder investeren.”
Het interview vindt plaats in het Scheepvaartmuseum, op de Oostelijke Eilanden in Amsterdam. De VOC had daar haar werven en pakhuizen. In het boek van Teulings en Huysmans wordt de organisatie besproken als bron van institutionele innovatie.
Teulings: „Neem het voorbeeld van de dieselauto’s die niet meer welkom zijn in de centra van grote steden. Veel bedrijven hebben daarop geanticipeerd door nieuwe, dure, elektrische bestelwagens aan te schaffen. Als die maatregel weer wordt ingetrokken, of uitgesteld, zoals gebeurd is, zijn die investeringen voor niks geweest.”
Huysmans: „Met de verplichte vervanging van cv-ketels door warmtepompen heb je hetzelfde gezien. Daar is een hele sector voor in beweging gekomen: fabrikanten van pompen zijn gaan opschalen, nieuwe pompen gaan ontwikkelen, mensen zijn opgeleid om die pompen te installeren. En dan wordt zo’n besluit teruggedraaid. Dat is funest op de lange termijn.”
Teulings: „De rechterlijke macht speelt hier een belangrijke rol. Die moet de politiek helpen zich aan eerdere beloftes te houden. Niet tot in het oneindige natuurlijk, niemand is tot het onmogelijke gehouden. Toen in 1924 de Hoogovens in IJmuiden begonnen, hadden we nog nooit van de schadelijke effecten van CO2-uitstoot gehoord. Dat weten we nu wel en dus gaan we de regels veranderen.”
De plek van het interview is niet willekeurig gekozen: het Scheepvaartvaartmuseum. Dat staat op de Oostelijke Eilanden in Amsterdam, waar de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) haar werven en pakhuizen had. Die VOC wordt tegenwoordig vooral bekritiseerd als instituut van kolonialisme en slavernij, maar in het boek van Teulings en Huysmans wordt de organisatie besproken als bron van institutionele innovatie. De VOC, opgericht in 1602, gaf aandelen uit en stelde kooplieden zo in staat om de risico’s van verre, gevaarlijke vaarten naar Azië te delen. Die risicospreiding maakte deze vaarten beter financierbaar.
Teulings: „Als je kijkt naar de economische ontwikkeling in de wereld, dan is er de laatste tweehonderd jaar iets opmerkelijks gebeurd. Duizenden jaren lang was de welvaartsgroei ongeveer gelijk aan nul, maar sinds 1800 is de welvaart met een factor twintig toegenomen. Bij ons in de Lage Landen begon de groei eerder. België liep een eeuw voor, maar toen Nederland in 1585 de Schelde afsloot, begon voor Nederland de periode van ongekende economische bloei. En cruciaal daarbij was de VOC en dan met name de mogelijkheid om risico’s te gaan delen.”
Huysmans: „Kijk, mensen zijn over het algemeen risico-avers. Wat de VOC mogelijk maakte, was dat welvarende individuen hun geld konden steken in de hele onderneming met meerdere schepen, in plaats van één schip te financieren. Als dat ene schip verging, was de investeerder voorheen zijn geld kwijt. Maar door in de VOC te investeren, via de voorlopers van wat nu aandelen zijn, werd het risico op schipbreuk gespreid over de hele vloot, terwijl de verwachte rendementen gelijk bleven.”
De ontluikende kapitaalmarkt, voegt Huysmans toe, ging verder dan alleen de VOC. Waterschappen gaven obligaties uit om dijken te financieren. Eeuwigdurende obligaties van hoogheemraadschap Lekdijk Bovendams (tegenwoordig: Stichtse Rijnlanden), uitgegeven na een dijkdoorbraak in 1624, leveren nog steeds rente op: vorig jaar mocht de eigenaar van een van deze obligaties, de New Yorkse beurs NYSE, 299,42 euro incasseren. Het gaf het waterschap in Huysmans’ woorden „het vermogen om zich te verbinden in de tijd”: de belofte om de dijk te herstellen, werd ook een belofte om in de toekomst rente te betalen. „Wie van het herstel van de Lekdijk profiteerde, is al dood, maar het rechtssysteem overleefde. En er wordt nog steeds doorbetaald.”
Huysmans: „De manier waarop wij de VOC bespreken, past binnen het economische verhaal over het ontstaan van instituties. Maar gelukkig zijn er ook ontwikkelingen die daar los van staan. En dan denk ik aan de latere afschaffing van de slavernij. Dat mensen gaan nadenken: wat vinden wij van de menselijke kant hiervan? Dat kan helemaal niet, dat is helemaal niet in overeenstemming met de mensenrechten. En dat onderschrijven wij natuurlijk volledig.”
Als econoom bekijkt Huysmans de afschaffing van de slavernij (in Nederland in 1863, in de meeste Europese landen eerder) ook van een financiële kant. „Hoe dat gegaan is, is even interessant als onethisch: door herstelbetalingen aan slavenhouders. Dat gold voor Nederland, maar ook bijvoorbeeld voor Frankrijk, dat Haïti (in 1825) dwong tot een ‘schadevergoeding’. Gelukkig hadden sommige mensen de morele overtuiging om de slavernij te beëindigen, maar helaas is dat waarschijnlijk alleen mogelijk geweest met die compensatie.”
Teulings: „Dat is een interessante kwestie: waarom reageren de miljardairs niet, waarom worden zij niet wantrouwig?”
Huysmans: „Nou ja, de makkelijkste verklaring is dan de animal spirits, het sentiment op de beurs. Dat is een soort omgekeerd gevangenendilemma: iedereen heeft er baat bij dat de koersen hoog blijven. En zolang iedereen meedoet, is dat het beste voor iedereen. Totdat één iemand gaat verkopen.”
Teulings: „Maar wat er nu in de VS gebeurt, is heel ernstig, ik ben daar eigenlijk buitengewoon somber over. Als je ziet hoe Trump en zijn entourage de staatsmacht gebruiken om zich te verrijken, dan functioneert de machtenscheiding in de VS niet meer. Vroeg of laat gaat dat ten koste van het investeringsklimaat. Ik denk dat we ons in Europa moeten realiseren wat er op het spel staat en ik zie dat op dit moment onvoldoende terug. Het is van cruciaal belang dat hier de democratische instituties overeind gehouden worden, inclusief de scheiding der machten.”
„De gedachte van economen en politieke wetenschappers was dat het land vanzelf politiek ook opener zou worden. Dat leek misschien even zo te zijn, maar dat zie je nu helemaal niet meer. Dat een topman van een Chinees techbedrijf een tijdje zomaar kon verdwijnen [Jack Ma van de Ant Group, onderdeel van Alibaba], heeft een effect op andere Chinese ondernemers. Die worden ook bang dat als ze hun kop te veel boven het maaiveld uitsteken, ze uit de weg geruimd of gearresteerd kunnen worden. Dus vroeg of laat zal dit het land ook economisch opbreken.„
Teulings: „Big Tech plaatst ons inderdaad voor nieuwe problemen. Ze zijn de verpersoonlijking van de winner-takes-all-samenleving. Bedrijven als Google en Meta zijn zó ontzettend groot geworden, ze zijn duizenden miljarden waard en hebben een machtspositie gekregen die vergelijkbaar is met die van Standard Oil [het oliemonopolie dat door de Amerikaanse regering in 1911 werd opgebroken]. Deze bedrijven hebben voor de samenleving ontzettende waardevolle technologie, maar dat geeft ze ook een disproportionele macht.
„Vanuit Amerikaans perspectief zijn het Amerikaanse bedrijven die het gewoon economisch gezien heel goed doen. De VS gaan daar niet tegen optreden. Europa kan dat wel doen.
„Een tweede punt over de socialemediabedrijven is dat ze bijdragen aan de ondermijning van de democratie. Je mag als platform nu alles plaatsen, zonder dat je duidelijk hoeft te maken wie de boodschapper van berichten is. Hier moet je dus een institutie creëren: Europa kan harde eisen stellen aan openbaarheid bijvoorbeeld.”
Huysmans: „Het is geen toeval dat die grote techbedrijven allemaal Amerikaans zijn en niet Europees. Ik denk dat Europa vooral intern veel te streng is naar zichzelf toe. Dat Europa een spoorfusie tussen het Duitse Siemens en het Franse Alstom blokkeerde, is een veelzeggend voorbeeld. We zouden meer van dat soort samenwerkingen binnen Europa toe moeten staan.”
Nu de grootmachten VS en China permanent de bestaande orde bestrijden, zal het de kunst zijn op een vreedzame manier uit het huidige „vechtevenwicht in de wereldeconomie” te komen, vult Teulings aan. „Dus zonder dat er daadwerkelijk met bommen gegooid gaat worden.”
Hoe dan? „Dat kan alleen maar door verder te blijven bouwen aan de internationale rechtsorde. Het hoekje waarin het Westen zich bevindt, wordt steeds kleiner. Amerika is ook niet meer zo mooi en zo aardig als we dachten. Dat betekent dat Europa met grootmachten buiten het traditionele Westen moet gaan praten. Eerst en vooral met China, en vervolgens met India. Ik snap alle weerstand tegen de autocratie China. Maar we zullen bruggen moeten slaan naar opkomende machten.”
Coen Teulings (1958) is universiteitshoogleraar aan de Universiteit Utrecht. De econoom was eerder hoogleraar in Cambridge, Amsterdam en Rotterdam. Teulings was tussen 2006 en 2013 directeur van het Centraal Planbureau. Hij publiceerde onder meer over de arbeidsmarkt, onderwijs, steden en inkomensongelijkheid.
Martijn Huysmans (1989) is universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht en doet onderzoek op het raakvlak van politiek en economie. De politiek econoom promoveerde in Leuven en is gespecialiseerd in de Europese integratie. Hij deed onderzoek in Rome en in Stanford (VS).
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC