Nieuwe albums Een nieuwe trend in pianoland: een irritant plopperig geluid, als regendruppeltjes op een glasplaat, waardoor alle pianistische zang uit muziek verdwijnt. Dat hoor je goed bij Víkingur Ólafsson. Zanger en gitarist Tim Knol heeft daarentegen juist zijn eigen geluid gevonden.
Víkingur Ólafsson
Opus 109
In september nog hoorde ik Víkingur Ólafsson live in het Amsterdamse Concertgebouw met het Derde pianoconcert van Beethoven. Zijn meest indrukwekkende prestatie op die avond was het aankondigen van de toegift: met onversterkte stem, wóórdelijk verstaanbaar tot op het frontbalkon. Dat is knap, maar geen compliment voor zijn Beethoven.
Muziek van Beethoven is ook het uitgangspunt van zijn nieuwste soloalbum. De IJslandse sterpianist verkent de muzikale context van Pianosonate nr.30, opus 109, door ‘m te plaatsen tussen werk van Bach en Schubert, componisten uit de invloedssfeer van Beethoven, voor en na. Fascinerend is dat elk stuk op het album in E-mineur of -majeur staat. Ólafsson is een synestheet; hij associeert die toonaarden met verschillende tinten groen.
Fascinerend dus, en toevallig. De manier waarop Ólafsson de boel tot klinken brengt, is namelijk ook om je helemaal groen (en geel) aan te ergeren. Het gaat al fout bij de opening. De ontheemde prelude uit Bachs Wohltemperierte Klavier – zonder bijpassende fuga – is vlak en flets, zonder enig teken van leven.
Gelukkig zit er wat meer reliëf in Beethovens tweedelige Pianosonate nr.27, die Ólafsson beschouwt als een directe voorloper van opus 109. Maar hier springen andere zaken in het oor, net als bij de grote ‘Zesde partita’ van Bach en Schuberts weinig gespeelde ‘Zesde pianosonate’. De manier waarop muzikale vormen uit elkaar worden getrokken of ineen geduwd, bijvoorbeeld. En, storender: de klank van de vleugel.
Het lijkt een nieuwe trend bij hippe, marketeerbare pianisten: plopperig pianogeluid waarbij iedere noot afzonderlijk als een regendruppeltje op een glasplaat klinkt. Je hoort het bijvoorbeeld op Tiffany Poons onlangs uitgekomen Nature, en in mindere mate op de albums van Alice Sara Ott en Hayato Sumino. Probleem is dat het verband tússen de noten, de vloeiende lijn, daarmee volledig zoekraakt.
Deels een kwestie van smaak (niet de mijne), maar het heeft ook iets anti-pianistisch. Je mist de uitklank, het legato, de zang van het instrument, doordat alles louter afgesteld is op de aanslag van het hamertje dat tegen de snaren tokt. De piano is geen percussie-instrument – niet in de muziek van Bach, Beethoven en Schubert, tenminste. Percussief spelen is een doodzonde. Als je de piano slaat, dan slaat-ie terug, zou meesterpianist András Schiff zeggen.
En terugmeppen doet-ie. De laatste variatie van Beethovens opus 109 lijkt wel een droogtrommel: een rammelende centrifuge waar her en der nootjes uit wegslingeren. Als Ólafsson de vleugel lamslaat, hoor je hoe dicht de microfoon op de actie moet hebben gestaan. Het volume kan nergens heen.
Zuiver technisch is Ólafsson een begaafd pianist, maar de gebrekkige stemvoeringen en zijn fragmentarische, quasidiepzinnige frasering staan de muziek in de weg. Ellenlang herkauwend als op een kleffe toffee, dan weer trippelend nikserig. Vergelijk zijn uitvoeringen met die van een pianist als Alfred Brendel (opus 109), Ivan Moravec (opus 90) of Piotr Anderszewski (partita) en je hoort meteen waar het Ólafsson aan ontbreekt: zangerigheid en zeggingskracht.
Zo wordt in de kiem gesmoord wat een fascinerend album had kunnen worden. Zo’n meesterwerk van Beethoven omcirkeld met Bach en Schubert, in dezelfde toonsoorten, is in de basis een sterk en origineel idee. Ólafsson schrijft er zelf een prima toelichting bij om zijn concept uiteen te zetten. Maar als belangrijke pijler noemt hij daar het ‘pleasure principle’ – het soort album willen maken waar je zelf ook graag naar luistert. Hij liever dan ik.
Marnix Bilderbeek
Tim Knol
Wanderings
Acht nieuwe nummers nam Tim Knol op voor het nieuwe Wanderings. Dat lijkt weinig voor een album. Zeker voor Knol, die doorgaans productief is. Zo verscheen dit jaar ook een bluegrass album, samen met de Blue Grass Boogiemen. Maar de acht nieuwe liedjes zijn een aanleiding om Knols solo-kwaliteit te toetsen. Wat laat hij horen in deze nummers? En bestaat het overzichtelijke aantal uit uitsluitend topstukken?
Bijna. Een enkele is minder (het iets tamme ‘Wonderful World’). Maar in de piekmomenten van Wanderings, zoals het titelnummer en ‘This Night’s Allright’ blijkt Knol meester over zijn eigen Americana-universum. De melodieën ontroeren, zijn vocalen ook. Gitaar, drums en strijkers zijn nauwkeurig geplaatst. De instrumentaties klinken aantrekkelijk, met de juiste dosis galm en een geschikte akoestiek voor een hedendaags eerbetoon aan muzikale helden van weleer.
Vergeleken bij recente solo-albums heeft Knol hier zijn vorm gevonden. Toen koos hij een popgeluid, nu horen we nostalgie. Hij gedijt goed bij het zwelgen in deze klassieke stijl, toen gitaar de overhand had en de deuntjes weelderig waren. Zijn stem klinkt teder, soms weifelend, en heeft een beetje roest langs de randen.
De liedjes lijken gemodelleerd naar voorbeelden zoals Gram Parsons (country-rock) en Gene Clark (Clark, een van de oprichters van The Byrds, is bekend van het album No Other, uit 1974, een ijkpunt voor Americana-liefhebbers). Het nummer ‘Quiet Mountain’ citeert de melodie van Joni Mitchells ‘Both Sides Now’.
Het album werd opgenomen met een groep muzikanten in de eigen studio in Hoorn. Knol liet de steelguitar thuis. Het zijn rinkelende gitaren en subtiele violen die hier zijn zoekende noten ondersteunen. Soms klinken de muzikanten schaamteloos sentimenteel, zoals de gitaarsolo aan het begin van‘ This Night’s Allright’, maar het duurt net kort genoeg om een larmoyante stijl te voorkomen.
Met dit eerbetoon aan anderen doet hij zichzelf niet tekort, want Knol heeft meerdere muzikale verschijningsvormen. Deze jarenzeventig-nostalgie-versie is er één. Er was ook een singer-songwriter-versie van Knol, er was een garagerock-versie (als zanger van The Miseries) en een fiddle-banjo-bluegrass-gedaante.
Zijn interpretatie ontstaat vanuit inleving. Hij maakte zich stijl en onderwerp eigen, waardoor hij imitatie ontwijkt. Van Tim Knol is bekend dat hij veel wandelt, een wandelclub heeft en ook wandelingen-met-concerten organiseert. Hij speelt op dit moment een solo-voorstelling, met eveneens de titel Wanderings, in theaters, waarbij hij zingt en verhalen vertelt. Over muziek en wandelen.
Veel van deze acht nummers (behalve de cover van ‘Live The Love Beautiful’ van Kevn Kinney, zanger van Drivin’ n’ Cryin) zijn bedacht tijdens dit soort zwerftochten. Die omstandigheid ‘hoor’ je aan het mooi contemplatieve ‘As You Watch The World Go By’. Hij loopt door heuvels en landerijen en bezingt de omgeving. En dat is de essentie van ‘country’.
Hester Carvalho
Voor zijn elfde album Tranquilizer liet de Amerikaanse producer Daniel Lopatin, beter bekend als Oneohtrix Point Never, zich inspireren door de kwetsbare vluchtigheid van digitale archieven. In 2020 stuitte hij op het Internet Archive op commerciële sample-cd’s uit de jaren negentig en vroege nul. Hij sloeg de reeks ergens online op, maar toen hij de samples wilde gebruiken bleken ze verdwenen. Gek genoeg kwam het archief een aantal maanden later opeens weer bovendrijven.In het abstracte werk van Lopatin, die naast zijn solo-oeuvre werkt met artiesten als The Weeknd, Charli XCX en Anohni, speelt samplen een grote rol. Maar waar sampling in andere genres vaak draait om herkenning en herinterpretatie, opereert Lopatin in een andere dimensie. Hij is een archivaris van popcultuur die zijn materiaal bewaart door fragmenten te knippen, te vervormen, te stapelen en vervolgens weer uit elkaar te trekken. Zijn archief leeft, en creëert radicaal nieuwe audio. Audio, want muziek is een te klein woord.In die door hem opengesneden geluidswereld moet de luisteraar zelf navigeren. Hoor ik een melodie in wording, of misschien zelfs een ritme? Is dit nou een baby, of een hijgende jogger? Is dit een stem, of gewoon de wind? Ik kan hier wel de tracks afzonderlijk gaan beschrijven, maar daar schiet je weinig mee op. Maak vooral een herfstige boswandeling en neem dit album mee. De bladeren zullen baden in een buitenaardse gloed. Beter is het wellicht om de voorlaatste track te benoemen, ‘Rodl Glide’. De groove waarmee de track opent is minimaal, maar na een album vol radicaal abstracte collages, komt die zo onverwacht binnen dat het misschien wel de meest dansbare track is die ik in tijden heb gehoord. Maar ook deze explodeert halverwege in een Y2K-achtige techno/EDM-break die net zo abrupt verdwijnt als ze verschijnt, als een te hard reclameblok in een hypnotiserende YouTube-video. Is het hinderlijk, vraag je je af. En daar kan je best ja op zeggen zonder dat dat ook maar iets afdoet aan de geweldige luisterervaring.Jonasz Dekkers
Muziek leeft in het vluchtige nu, maar is de ultieme drager van herinneringen. Zo klinkt het Derde strijkkwartet van Sjostakovitsj onder de montere oppervlakte grimmig en desolaat. Het titelstuk van Saariaho is juist dromerig, met een diffuse diepte. Het Dudok Quartet brengt twee verschillende werelden overtuigend samen in een schitterend dubbelportret. Joep Stapel
Rejoice is een indringend, somber getoonzet album. Logisch, met de menselijke omgang met natuur als rode draad. Het omvangrijke titelstuk van Goebaidoelina is een tastend, uitgebeend, diepgravend duo, waarin het intuïtieve samenspel van violiste Vercammen en celliste Fridman floreert. Daarnaast spelen ze Shalygins elegische coronastuk Angel en (met koor) Vasks’ stemmig-kwinkelerende Plainscapes. (JS)
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC