Na de beginjaren in de Formule Ford en een uitstapje naar de toerwagens – waarover je kunt lezen in het eerste deel uit deze serie – kwam eind jaren tachtig de focus weer op de formuleracerij te liggen. "Dat jaar kwam Marcel Albers bij ons rijden", vertelt Frits van Amersfoort in de fabriek in Zeewolde aan Motorsport.com. "Hij nam een vriend mee, Rob Niessink. En die is nooit meer weggegaan; hij is nu de CEO van dit bedrijf."
Ook alle vlakken ging het dat jaar voorspoedig. "Marcel was natuurlijk een groot wereldtalent en we wonnen veel", aldus Van Amersfoort. "Persoonlijk was ik blij dat het hoofdstuk toerwagens was afgesloten en ik me weer volledig op de formuleauto’s kon richten, er was dat jaar voldoende geld, en Rob maakte zijn entree. 1989 was dus een euforisch jaar." Met als kers op de taart de titel van Albers in het Nederlandse Formule Ford-kampioenschap.
Het volgende jaar werd Van Amersfoort echter weer geconfronteerd met de harde realiteit van de autosport. "Marcel wilde hogerop en een logische volgende stap was de Formule Opel Lotus. Marcels vader was vastbesloten dat ze dat bij het beste team moesten doen. Hij zei tegen me: ‘Frits, jij hebt een superteam en onze relatie is uitstekend, maar je hebt geen kennis van die auto’s.’ Dus Marcel ging naar het team van Jan Lammers, Vitaal Racing." Vitaal was in 1989 begonnen in de Formule Opel Lotus en was met Peter Kox meteen kampioen geworden in de Euroseries en het Benelux-kampioenschap.
Voor Van Amersfoort werd 1990 "een soort interimjaar". "Er was nog wel steun van Marlboro, maar niet zoveel meer als eerder. En ik had niet langer de beschikking over de beste rijder." Van Amersfoort ging verder met Ruud Spoolder. Het Formule Ford-seizoen 1990 begon aanvankelijk veelbelovend. "We wonnen de eerste race van het seizoen met Ruud. Dan denk je even: wauw, we gaan kennelijk door waar we gebleven waren. Maar Ruud bleek toch niet zo getalenteerd. Ook financieel begon het allemaal wat moeilijk te worden en uiteindelijk stond ik een paar races aan de kant, omdat er geen geld was." Toch gaf Van Amersfoort niet op. "Via Toine Hezemans kwamen we in contact met Martijn Koene, en dankzij zijn connecties bij Marlboro Nederland konden we het seizoen afmaken. Maar ik was ondertussen wel een beetje klaar met de Formule Ford."
Met dank aan Renault belandde Van Amersfoort op een nieuw spoor. De autofabrikant begon in 1991 het eigen Formule Renault 1.7-kampioenschap. "Toen is er een team geboren dat er op papier supermooi uitzag. We kregen opnieuw steun van Marlboro, konden met hulp van Renault twee Martini’s kopen en vonden Evan Kersbergen bereid om in de ene auto plaats te nemen, terwijl de andere volledig gefinancierd werd door Sandro Zani." Er werd deelgenomen aan het Nederlands kampioenschap en enkele Europese wedstrijden. "Kortom: ik was weer helemaal daar waar ik wezen wilde."
Er werd ook een echte trailer aangeschaft. "En die mocht ook in de Marlboro-kleuren. Zo groeiden we verder, bijna tegen de klippen op", blikt Van Amersfoort terug. "Maar sportief gezien was 1991 een rampjaar. Sandro deed zijn best, maar hij was niet geweldig. Evan was een betere coureur, maar het kampioenschap was sterk en we hadden met de Martini een complexe auto die zeker niet de beste was. We vochten wel mee en zaten altijd voorin, maar het ging allemaal heel moeizaam."
In 1992 kreeg Van Amersfoort met dank aan oude bekende Huub Rothengatter weer de wind in de zeilen. "Huub was inmiddels gestopt met racen en had zich bekwaamd als zakenman in de autosport. Hij was op zoek naar een talent en kwam uit bij Jos Verstappen. Huub en ik hebben op een gegeven moment de stoute schoenen aangetrokken. Ik belde Frans Verstappen, maar die wimpelde me af. Maar Huub is Huub. Hij ging met de Verstappens praten en op zijn initiatief kwam er een test op Zandvoort."
"Een Verstappen doet je versteld staan. Dat was die dag niet anders", herinnert Van Amersfoort zich. "Jos stapte in en was meteen de allersnelste met die auto. Maar er waren in die tijd zoveel klassen. Als coureur stond je voor de lastige vraag: wat ga je doen? De Formule Opel Lotus was op dat moment de belangrijkste juniorklasse, dus Huub zei tegen de Verstappens: we gaan ook een keer testen met de Formule Opel en dan maken we een keuze. Ik hield zelf echter nog een beetje vast aan de Formule Renault, want ik had die auto toch al." De test werd gedaan met een geleende Formule Opel. "Het was een heel eenvoudig chassis met een supermotor. En Jos vloog met dat ding. Lang verhaal kort: het werd de Formule Opel. Want die auto paste Jos."
Zowel Max als Jos Verstappen maakte zijn autosportdebuut bij Van Amersfoort.
Foto door: Rudy Carezzevoli / Getty Images
"Huub financierde het verhaal via Philips Car Systems en Marlboro. Zoiets kun je gerust aan Huub overlaten. Hij wist dat allemaal wel bij elkaar te brengen. ‘En Frits, zorg jij maar dat de spullen er zijn.’ Dus ik moest die auto’s zien te krijgen. Vitaal Racing wilde ermee kappen, dus ik heb het voor elkaar gekregen dat ik het team van Jan kon overnemen. Auto’s, materiaal, alles. En zo was de weg vrij om Jos in 1992 in de Formule Opel Lotus te laten rijden."
"En ja, hoe dat seizoen met Jos verlopen is, dat hoef ik je niet te vertellen", vervolgt Van Amersfoort met een glimlach. Verstappen reed de concurrentie op een hoop en zou op Zolder na, waar hij een koprol maakte, alle races in het Benelux-kampioenschap winnen. "Uitgerekend de dag waarop hij zijn eerste race won, was de dag dat Marcel Albers verongelukte in Engeland. Het was een gitzwarte dag met een gouden randje."
"De rest is geschiedenis", zegt Van Amersfoort over het seizoen 1992. "Als ik zo terugkijk op alles, dan vallen er een paar mijlpalen in de geschiedenis van Van Amersfoort Racing aan te wijzen, en 1992 is daar één van. Want we waren dat jaar de helden van Nederland." Verstappen ging zo goed dat besloten werd om ook de Euroseries erbij te pakken. "Er was dat gedenkwaardige weekend in Zolder, waar Jos ook de Europese top de baas was." Verstappen behaalde twee overtuigende overwinningen op het Belgische circuit. "En dat bracht de internationale doorbraak. Toen hadden we onze naam wel gevestigd op het gebied van formuleauto’s."
Het team was ondertussen nog steeds onderdeel van het autobedrijf Van Amersfoort. "Ik was ook nog steeds werkzaam in de garage, zo goed en zo kwaad als het ging. Ik deed het magazijn en de boekhouding. Nu zou je het je niet meer kunnen voorstellen, maar in die tijd kon je het runnen van een team nog combineren met een normale baan. Een seizoen bestond immers uit maar acht of negen wedstrijden per jaar, en dan vooral in Noord-Europa. En tussen de seizoenen door moest je toch ook wat doen." Rob Niessink stond inmiddels bij het team op de loonlijst. "Rob was monteur en sleutelde aan de auto’s. En ik sleutelde ook, elk weekend en elke avond. En zo deed je dat in die tijd. We hadden er ook een paar hulpjes bij die we hapsnap betaalden. Zo plakten we het aan elkaar."
Na 1992 dacht Van Amersfoort het weer moeilijker te krijgen. "Want Jos stapte over naar de Duitse F3, naar het team van Willi Weber, en nam Marlboro mee. Wij bleven achter met een paar auto’s en verder niet zo veel. Sandro Zani, die inmiddels de Formule Renault vaarwel had gezegd, keerde bij ons terug. En via Huub kregen we Vincent Radermecker, die gesteund werd door Marlboro België. En dat was mooi, want Vincent bleek een fantastische coureur. Misschien wel het meest miskende talent dat er ooit geweest is."
"Na het enorme succes met Jos was ik bang dat onze hoogtijdagen achter ons lagen. Maar met Vincent ging het onverwacht gewoon door. Het Benelux-kampioenschap was er niet meer, dus we richtten ons volledig op de Euroseries. En we misten op een haar na het kampioenschap", weet Van Amersfoort nog goed. "We hadden dat jaar één grote tegenstander: het team van Draco. In de slotrace in Estoril ging het tussen Vincent en Patrick Crinelli, die voor Draco reed. Vincent werd toen door een andere Draco-coureur aangereden, waardoor zijn auto een kromme spoorstang opliep en Crinelli kampioen werd."
"Maar onderaan de streep hadden we onszelf in 1993 echt serieus op de Europese kaart gezet." Als een jonge coureur serieuze ambities had, moest die bij Van Amersfoort Racing zijn. "En in 1994 diende er zich een nieuw Nederlands talent aan: Tom Coronel. Tom was doorgebroken in de Formule Ford en wilde Europa in. Hij werd gesteund door Hans te Pas en Huub, dus ja, Tom kwam bij ons rijden."
Naast Coronel kwam Kurt Mollekens, die net als Radermecker ondersteund werd door Marlboro België. "1994 was eigenlijk best een goed seizoen. Kurt viel een beetje tegen, maar Tom was gewoon heel goed." Volgens Van Amersfoort greep Coronel net naast de titel door een technisch mankement op Mugello. "Tom reed ver aan kop en ineens was hij weg doordat zijn achterwielophanging gebroken was. Er was een rocker slecht gelast. Die fout reken ik mezelf nog steeds aan."
Frits van Amersfoort: "Het was een geweldige tijd waarin we altijd vooraan te vinden waren."
Foto door: Joe Portlock / LAT Images via Getty Images
De grote tegenstander van Coronel was Draco-coureur Marco Campos, die een jaar later zou verongelukken tijdens een Formule 3000-race op Magny-Cours. "In de beslissende race op de Nürburgring was er weer een streek van Draco. Tom werd echt van de baan gereden door Campos. En als Campos uitviel, was hij nog steeds kampioen, zolang Tom maar niet won." Coronel eindigde het jaar dus als tweede. "Maar in het licht van de historie zijn dat soort momenten allemaal maar een speldenprik. Over het geheel genomen was het gewoon een geweldige tijd waarin we altijd vooraan stonden met onze rijders." En inmiddels reed er met Jos Verstappen een voormalig Van Amersfoort-coureur in de Formule 1.
"In 1995 kregen we Manuel Gião. Hij nam veel geld mee van Castrol Portugal. Het was het eerste jaar dat we een niet-Nederlandstalige rijder hadden. Het was de eerste stap naar internationalisering", aldus Van Amersfoort. "De andere auto was voor Tim Coronel. En ze deden het allebei super. Uiteindelijk vochten we weer om het kampioenschap. We werden dat jaar geen kampioen, maar we spraken wel een woordje mee op internationaal vlak."
"Die merkenklassen waren leuk en aardig, maar het begon in mijn ogen pas echt serieus te worden als je Formule 3 deed", vervolgt Van Amersfoort. Het Formule Opel Lotus-avontuur eindigde in 1996 met Tim Coronel en Bas Leinders. "Ook weer zo’n typisch talent", zegt Van Amersfoort over Leinders. "Hij was wat moeilijk, maar ik heb hem aan me vastgeklonken door diep te gaan en financiële risico’s te nemen. Maar Bas was een goede gast. Het was aan hem besteed. En hij reed goed. In 1996 werden we Europees kampioen. En wat is een betere manier om iets af te sluiten dan door Europees kampioen te worden? Het is tot op heden het enige Europese kampioenschap dat we gewonnen hebben."
Van Amersfoort dacht inmiddels over genoeg kennis en kunde te beschikken om de stap naar F3 te kunnen maken. "Alleen: we hadden geen 'kanaaltje' om daar te komen. En ook het geld niet." Toch had Van Amersfoort na de titel met Leinders zijn zinnen gezet op de Formule 3. "We leerden via via een vermogende man kennen genaamd Eric Wright. En hij wilde ons wel helpen door een auto te kopen. Na afloop van de Formule Opel-race op Mugello zijn we naar Dallara gereden en hebben we een echte F3 gekocht. Daar was het opportunisme weer: eerst een auto kopen en dan zien we wel verder."
Leinders was degene die ermee moest gaan rijden. "Maar hij was slecht gefinancierd. Uiteindelijk lukte het zijn manager om het budget rond te krijgen, en toen zijn we in 1997 dus F3 gaan doen." Het werd in de woorden van Van Amersfoort "een superjaar". We behoorden niet tot de echte top – want de Duitse Formule 3 werd beheerst door Bertram Schäfer Racing – maar we deden toch wel serieus mee. Ik weet nog dat we op de Norisring op koers lagen voor onze eerste overwinning toen twee rondjes voor het einde de versnellingsbak stukging. We waren in tranen, wat een vreselijk moment."
In 1997 is ook Van Amersfoort Racing B.V. opgericht. "We zaten nog wel in het garagebedrijf in Laren, maar het team begon serieuze vormen aan te nemen en het hoekje waar de raceauto’s stonden werd steeds groter. Mijn vader was al een beetje uit de zaak, maar mijn oudste broer zag het met lede ogen aan – al vond hij het, als autosportliefhebber, ergens denk ik ook wel mooi. Vanaf dat moment deed ik echter niets meer in het garagebedrijf. Ik was alleen nog maar met racen bezig."
Van Amersfoort Racing breidde voor het seizoen 1998 uit naar twee auto’s. Naast Leinders nam Christijan Albers plaats. "Christijans ouders hadden ook een garage in Laren, dus ik kende ze al", blikt Van Amersfoort terug. "Christijan wilde dat jaar Duits F3 doen en toen hebben we een deal opgetuigd met de familie Albers, waarbij Marlboro als sponsor van Christijan ook weer ten tonele verscheen." Het werd een zeer succesvol jaar. "Bas en Christijan waren twee rijders die het goed met elkaar konden vinden en elkaar ook hielpen. En we hadden het technisch goed voor elkaar. Onze engineer was John McGill, die later in de Formule 1 zou gaan werken. We waren echt een superteam. In de allereerste race van het seizoen pakten we meteen een overwinning, en uiteindelijk hebben we dat jaar heel veel races gewonnen."
Christijan Albers zegevierde twee keer in zijn eerste jaar in de Formule 3 en werd vijfde in het klassement. Leinders won op zijn beurt zeven wedstrijden en werd Duits Formule 3-kampioen. En daarmee ging voor Frits van Amersfoort een langgekoesterde droom in vervulling. "Het was fantastisch. Van Amersfoort Racing was een succesteam geworden in de Formule 3. En dat is wat ik wilde."
Hoe het verhaal van Van Amersfoort Racing na die eerste F3-titel verdergaat, lees je in het volgende deel.
Wat zou jij graag willen zien op Motorsport.com?
- Het Motorsport.com-team
Source: Motorsport