schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.
Op Het Speelwerk in Zwolle is iets moois gebeurd. Veel kinderen op deze basisschool voor speciaal onderwijs hebben moeite met lezen: ze hebben een stoornis, zoals autisme of dyslexie. Als kinderen lezen moeilijk vinden, krijgen ze er een hekel aan en gaan ze het mijden, waardoor ze niet vooruitgaan en weinig leren, want leerboeken, bijvoorbeeld voor aardrijkskunde en geschiedenis, zijn ondoorgrondelijk. Op Het Speelwerk, lees ik in het AD, wisten ze die neerwaartse spiraal om te buigen. Kinderen lezen er nu twintig boeken per jaar, met plezier.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Hoe kan dat? Het recept is opvallend simpel. Er wordt (met hulp van Hogeschool Windesheim) gewerkt met effectieve leesmethodes. En: de kinderen lezen veel. Ze kiezen zelf hun boeken en lezen daar dagelijks een half uur in. Daarnaast leest de juf of meester elke dag een half uur voor. Ze krijgen er steeds meer lol in; hun leesvaardigheid en woordenschat gaan met sprongen vooruit.
Het is geen wonder dat hier is geschied. Dit is hoe het wél werkt. De leescrisis is te bestrijden en aan de kinderen ligt het niet. Wat bij leerlingen met een leerstoornis is gelukt moet toch zeker lukken op gewone basisscholen. Het is het resultaat van goed leesonderwijs en veel ingeruimde tijd voor lezen. Dit zou landelijk beleid moeten zijn, op alle scholen, en de inspectie moet erop toezien dat het gebeurt.
Deze week begint de Kinderboekenweek (1-12 oktober), die samenvalt met de Nationale Onderwijsweek (6-10 oktober) en de bekendmaking van de Leraren van het Jaar op 2 oktober. Logisch, zou je zeggen: op school leer je lezen en nog een paar dingen. Maar het is vooral erg stom. Waarom zou je de week, waarin het beroep van leraar centraal staat, precies plannen in de enige week waarin op scholen extra aandacht is voor lezen en kinderboeken? Waarom moeten deze evenementen elkaar verdringen?
Mijn Leraren van het Jaar zijn degenen die kinderen aan het lezen brengen. De Kinderboekenweek kan het begin zijn van een nieuwe aanpak: dompel je leerlingen voortaan dagelijks onder in kinderliteratuur. Het thema dat de stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek (CPNB) koos is ‘Vol avontuur’. Een veilig thema, want zeker de helft van de kinderliteratuur gaat over avonturen, doldwaas, spannend of griezelig. Voor het Kinderboekenweekgeschenk koos de CPNB, ook veilig, acteur en schrijver Kevin Hassing, bekend van de populaire serie Mus & kapitein Kwaadbaard. De keuze voor het Kinderboekenweekgedicht is avontuurlijker: een gedicht van Simon van der Geest, een geweldige schrijver, populair bij kinderen én Griffeljury’s.
Als je nou toch elke dag voorleest, kies dan vaak een gedicht. Er is een weelde aan keuze; de Nederlandse kinderpoëzie is van hoog niveau. Alle gedichten van Annie M.G. Schmidt natuurlijk, en van Willem Wilmink. Maar lees ook gedichten van Ted van Lieshout, Edward van de Vendel, Bette Westra, Sjoerd Kuyper en Milja Praagman. Kies een gedicht van Joke van Leeuwen, die komende zondag de Tollensprijs krijgt voor haar sprankelende oeuvre.
Deze klassieker van Van Leeuwen, bijvoorbeeld: ‘O hou van mij en van mijn botjes/ en van de vlekjes op mijn huid/ en van mijn eigen stemgeluid/ en van mijn neus met harde snotjes/ en van mijn niet zo sterke spieren (…)’. Of deze, vrolijk en kribbig tegelijk: ‘Ik voel me ozo heppie/ zo heppie deze dag,/ en als je vraagt: wat heppie/ als ik eens vragen mag,/ dan zeg ik: hoe wat heppie,/ wat heppik aan die vraag,/ heppie nooit dat heppieje/ dat ik hep vandaag?’ Geen kind dat dit niet begrijpt of meevoelt, geen kind dat afhaakt. Alle kinderen houden van poëzie.
Source: Volkskrant columns